Berichten

“De Telegraaf, die lees ik niet graag, zo ’s ochtends vroeg op mijn nuchtere maag. Stompzinnige leugens, racistische mest. En al ver voor de oorlog zo fout als de pest.” Halverwege de jaren tachtig zong ik voluit mee als ons communistische koor De Grootste Mond deze regels aanhief. ‘Wij communisten’ hadden ons tijdens de Duitse bezetting verzet tegen de nazi’s. ‘Zij’ bij De Telegraaf hadden met de bezetter gecollaboreerd (hetgeen de krant na de bevrijding kwam te staan op een verschijningsverbod van vier jaar).

 

Mijn dedain voor de krant

Ik bleef ook daarna mijn dedain voor de krant nog wel even cultiveren. Toen ik in militaire dienst vrijwel alle andere soldaten het AD of De Telegraaf zag lezen, deelde ik hen mee dat ik die in nog geen vijf minuutjes uit zou hebben. Het soortelijk gewicht aan echte informatie was veel te laag en niet te vergelijken met de krant die wij thuis lazen: de Volkskrant.

Na mijn diensttijd studeerde ik op de School voor Journalistiek. Kwam dat even goed uit. Daar namelijk stond de grootste krant van Nederland ook niet echt hoog aangeschreven. Hele generaties ex-studenten kunnen je vertellen hoe hun docenten denigrerende opmerkingen maakten over de krant en je afraadden om er stage te lopen. Nadat ik in 1995 zelf begon als docent aan de school heb ik me ook wel eens aan zulke, eeuh… feedback gewaagd. Ik las immers ‘kwaliteitskranten’: Volkskrant, Trouw en NRC, en was nog altijd een linkse jongen op een grotendeels linkse school met vrijwel uitsluitend linkse vrienden en collegae.

 

Het beeld begon te kantelen

Maar gaandeweg begon mijn beeld te kantelen. Hoe dan ook raakte ik er steeds meer van overtuigd dat De Telegraaf niet voor niets de meeste lezers trok, en dat zelfs als je het niet eens bent met zijn columnisten of commentatoren, je deze krant moet beschouwen als een serieuze journalistieke speler. Die studenten en docenten journalistiek vooral (eventueel erbij) moeten lezen en waarvoor je stagairs of afgestudeerden ook zeker kunnen schrijven. Dat gebeurde dan ook: zo gingen diverse prima jonge journalisten die ik had helpen opleiden er werken na hun opleiding. Chris Ververs, Jannes van Roermund en Jessy Burgers bijvoorbeeld. Wat ook hielp: ik interviewde Paul Jansen, de huidige hoofdredacteur van de krant, voor mijn proefschrift en was aangenaam getroffen door zijn even kritische als constructieve visie op politieke journalistiek.

En toen, vorig jaar juni, vond ik ineens een boodschap op mijn voicemail van Johan van den Dongen, chef opinie bij De Telegraaf. Hij vroeg me of ik een verkorte versie wilde aanleveren voor zijn opiniepagina van een verhaal dat ik zojuist op mijn site had gepubliceerd in reactie op White Privilege en Black Lives Matter: ‘Ik ben niet je witte’. Zelden zo’n attente en zorgvuldige eindredactie meegemaakt, na een leven waarin mijn artikelen nogal eens onherstelbaar werden verminkt door overijverige of betweterige collega-journalisten. En nee, Van Dongen vroeg me niet er een lekker Telegraaf-schepje bovenop te doen – vol ‘stompzinnige leugens en racistische mest’ – hij drukte me juist op het hart om zo genuanceerd mogelijk te schrijven.

 

I couldn’t care less

In de dagen erna kreeg ik heel veel bijval van mensen die mijn artikel in De Telegraaf hadden gelezen. Maar ook enkele bijtende kritieken. Die gingen niet alleen inhoudelijk over mijn stuk – all in the game – maar ook over het feit dat ik in deze krant had geschreven. De krant die moslims en Marokkanen per definitie zwart zou maken. Die weigert blanken wit te noemen en ook al niet spreekt over ‘mensen van kleur’. En de klimaatcrisis niet serieus neemt, maar in plaats daarvan pleit voor harder rijden en meer asfalt. Blijkbaar was ook ik nu fout in de ogen van degenen die zoveel meer dan anderen deugen.

I couldn’t care less. Ik heb mijn verhaal mogen brengen zonder er een letter aan te hoeven veranderen. Niet alleen vorig jaar juni, maar nog eens in oktober dat jaar en nu vandaag opnieuw. In een krant waar men in elk geval begrijpt dat vrije meningsuiting er ook is voor mensen die niet exact hetzelfde vertellen als wat je hoofdredacteur vindt. Tot drie keer aan toe heb ik in deze krant mogen betogen dat de aanpak van de klimaatcrisis een prioriteit is. En dat niet al prekende voor eigen parochie, maar voor ruim een miljoen mensen. Waarvan er nu wellicht een paar op andere gedachten worden gebracht.

 

Zo ’s ochtends vroeg op mijn nuchtere maag

Bij de opinieredacties van de kranten die ik zelf jaren heb gelezen (en waarvoor ik soms ook heb geschreven) – Trouw, NRC en Volkskrant – vond ik de voorbije jaren keer op keer geen gehoor voor mijn opvattingen. Wellicht hoor ik toch niet bij ‘ons soort mensen’, met de juiste opinies en de gepaste toon. Misschien ben ik niet ‘links’ genoeg meer, terwijl ik mezelf toch ook zeker niet als ‘rechts’ beschouw. Voor de duidelijkheid: het is niet die afwijzing die mij motiveert om nu voor de krant te schrijven die ik vroeger zelf als fout bestempelde. Ik wil simpelweg een zo groot mogelijk publiek voor de boodschap die mij aan het hart gaat: dat we gezamenlijk de crises van corona, klimaat, economie en politiek te lijf dienen te gaan, in plaats van ons te laten verdelen op kleur, sekse of seksuele, politieke en religieuze voorkeur. En als dat kan in De Telegraaf… dan schrijf ik daar maar al te graag voor, zo ’s ochtends vroeg op mijn nuchtere maag.

Een kritiek op een maatschappij waarin iedereen criticus kan zijn. En we voortdurend elkaar – of onszelf – de maat nemen op grond van wat meteen zichtbaar lijkt. Een alternatief ook van radiostilte op social media, van meer constructieve journalistiek en van mensen die zeggen wat ze denken, zonder zich te veel af te vragen hoe dat overkomt. Mijn nieuwste vlog.