Na heel veel tunnel aan het eind van het licht, gloort er licht aan het eind van de tunnel. Stukje voor stukje kunnen we er weer op uit en elkaar ontmoeten, écht ontmoeten. Als filosoof wil ik daaraan een bijdrage leveren met een Herfstschool Goed Leven. Vijf dagen in september en oktober waarin we zonder schermpjes tussen ons in gaan praten over onszelf en een wereld waarin crisis het nieuwe (of oude?) normaal is. We beantwoorden vragen als ‘Wie zijn we?’; ‘Waarom zijn we er?’; ‘Wat willen we?’; ‘Wat houdt ons tegen?’ en ‘Wat gaan we doen?’. Daarbij laten we ons inspireren door grote – beroemde maar ook onderbelichte – denkers; en door veranderings- en berustingskunstenaars zoals de stoïcijnen, boeddhisten en taoïsten. Plaats van handeling is conferentiecentrum Samaya: een voormalig klooster in de weilanden tussen Betuwe en Utrechtse Heuvelrug. De tijdstippen: de maandagochtenden 6 en 13 september; woensdag 29 september de hele dag; en de maandagochtenden 4 en 11 oktober. De kosten: €500,-. Je kunt je bij mij opgeven tot en met vrijdag 4 juni. Zie ook de agenda van Samaya: hier.

 

Het wordt tijd om het Binnenhof te bestormen, de Tweede Kamer in de fik te steken en Rutte naar buiten te slepen. Dan nemen we de macht over en wordt alles beter. We maken het kapitalisme kapot, voeren een beter systeem in en redden de planeet..

 

Heb ik nu je aandacht?

Zo, heb ik nu je aandacht? Ik vraag het omdat ik eigenlijk een heel ander voorstel had. Ik wilde voorstellen om vandaag nog een groene revolutie te beginnen. Een diepgaande en radicale verandering van ons leven die even duurzaam als democratisch is. De economie van het genoeg, die niet wordt uitbesteed aan overheden en bedrijven, maar neerkomt op drastisch minder consumeren door onszelf: de burgers van het Westen. En dan vooral degenen van ons die het meest te besteden hebben en tegelijkertijd het meest nemen van de natuur. Met als gevolg dat onze kinderen en kleinkinderen straks niet langer fatsoenlijk kunnen leven. Om maar te zwijgen van het niet-menselijke deel van de natuur: de dieren en de planten.

 

Idiote en explosieve bevolkingsgroei

Het zou betekenen dat we eindelijk voorbij het kapitalisme gaan. Dat we ook eindelijk niet langer zeggen te deugen, maar dit laten zien met ons doen en laten. Door meer of zelfs puur plantaardig te gaan eten. Door de auto en het vliegtuig in de regel te laten staan. Door eindelijk een eind te maken aan de idiote en explosieve bevolkingsgroei. En door olie en gas in de aarde te laten zitten in plaats van de Noordpool te ontdooien zodat we ook daar grondstoffen aan de aarde kunnen onttrekken.

 

Doormodderen en wegkijken

Ik denk dat dit veel beter is dan doormodderen en wegkijken zoals we dat nu doen. Dat leidt namelijk niet alleen tot een gebrek aan actie, maar ook tot frustratie en woede onder diegenen die straks de enorme kosten moeten gaan betalen van een voortwoekerende klimaatcrisis. Ik denk ook dat het beter is dan te wachten totdat techneuten of wijze mannen en vrouwen het voor ons gaan oplossen. En het is zeker beter dan een eco-dictatuur of eco-terreur van groepjes die mensen dood en spullen stuk gaan maken in dienst van het goede doel.

 

Revoluties zijn nodig om explosies te voorkomen

Dus stelde ik afgelopen week een grote landelijke krant voor om zo’n pleidooi te schrijven. De kern: revoluties zijn nodig om explosies te voorkomen. De paradox is deze… Willen we behouden wat we hebben en het delen met meer mensen, dan zullen we misschien niet alles, maar wel heel veel moeten veranderen. Niet morgen, niet overmorgen, maar vandaag. Niet alleen door de economie en de politiek te veranderen, maar door als burgers te kiezen voor genoeg tussen te veel en te weinig. Ik zou de grote lijnen aangeven van deze revolutie. De precieze maatregelen lees je dan wel terug bij politieke partijen of actiegroepen.

 

De ruiten van de lokale McDonald’s

De reactie van de redactie: niet prikkelend genoeg, te groots, te weinig concreet. Mijn conclusie: ik had beter gedreigd met aanslagen en gepleit voor geweld. Dan had ik wellicht de krant gehaald. Dat is spannend, dat is sensationeel. Maar ik heb al te veel geweld in mijn leven gezien, ik heb te vaak moeten meemaken hoe ik met honderdduizenden anderen demonstreerde en de journalisten pas interesse toonden als enkele honderden van ons de ruiten van de lokale McDonald’s ingooiden. OK, ik heb dus niet jullie aandacht. Tien, twintig, dertig jaar van mijn leven waarin ik heb geprobeerd om deze boodschap te brengen, komen nu ten einde.

 

De revolutie begint hier

Dus heb ik gisteren met mijn dochter maar een bordje gemaakt: ‘Help de bij’. Een oproep om niet te veel gras en bloemen weg te maaien, zodat dit insect dat ook zo belangrijk is voor ons, de ruimte krijgt. Ik heb het in de berm langs de weg geplaatst. Want ik weet dat die oude oosterse wijsheid nog altijd waar is: ‘Iedere reis van duizend kilometer begint met één stap.’ De revolutie begint hier. En misschien blijft ze daar ook wel.

Hoe langer het virus rondwaart en hoe langer de lockdown duurt, hoe meer ik erachter kom dat de pandemie niet de werkelijke plaag is van deze tijd. Ik bedoel niet eens zozeer dat het meest schadelijke virus voor de planeet de mens is, met alle vernietiging die wij, al exponentieel groeiende, loslaten op de rest van de natuur. Wij hebben niet te maken met een virus… we zijn een virus. Maar dat heb ik al eens eerder gemeld, en ik ben bepaald niet de enige.

 

Hey, what’s that sound?

Hier wil ik iets anders kwijt. En wel dat me steeds vaker opvalt hoeveel verbetenheid, verkramping, ja… extremisme er in de lucht hangt. Of, laten we nu even afstappen van de virusmetafoor: in wat zoveel mensen doen en laten, zeggen en schrijven, aangeven en uitdrukken. Het doet me denken aan wat Stephen Stills 55 jaar geleden schreef in For What It’s Worth: “There’s something happening here. But what it is ain’t exactly clear. (…) It’s time we stop. Hey, what’s that sound? Everybody look, what’s going down?”

Het kwartje viel bij mij pas echt toen een cursist van de Jaaropleiding waarin ik les geef, vertelde over het Klimaatalarm waaraan zij de zondag ervoor had deelgenomen. Daar stond ze dan, met enkele honderden anderen in het Westerpark. Wat haar was opgevallen, zei ze, was dat iedereen alles en iedereen filmde, en dat de deelnemers allemaal zo op hun hoede leken. Mijn conclusie – want ik had wat zij beschreef ook al eerder opgemerkt in de protesten tegen de coronamaatregelen: angst en wantrouwen regeren, ook – of juist – bij degenen die daadwerkelijk de straat opgaan tegen wat zij als een nachtmerrie ervaren en voor wat hen als een droom bezielt.

 

De plaag die plagen veroorzaakt

Hoe kan het ook anders? We leven nu al ruim een jaar tussen een beetje hoop en vooral veel vrees. Angst dat we besmetten of besmet raken. Angst dat we onze vrijheden kwijt raken. Angst dat we onze welvaart verliezen. We voelen niet meer de intimiteit met onze vaders en moeders, onze zussen en broers, onze beste vrienden en vriendinnen. En zeg nou niet dat Zoom zoveel goed maakt: Internet is nothing but a poor excuse. Het is ook internet waar mensen elkaar voor rotte vis uitmaken: omdat De Ander ‘wit’ is (of juist ‘zwart’), wel of niet LHBTXYZ, moslim of islamofoob, het virus ontkennen of juist voor eigen gewin manipuleren zou. En misschien ben ik een tikje overgevoelig, maar dat we elkaars glimlach slechts met de grootst mogelijke moeite ontwarren voorbij dat mondkapje, helpt ook niet echt. Hoe scheef Stills het ook alweer? “Paranoia strikes deep. Into your life it will creep. It starts when you’re always afraid.”

Ik stel me zo voor dat dit ook was wat eerder de pest en de Spaanse griep teweeg brachten: Plaag zijn en daarmee andere plagen veroorzaken. Als een pandemie namelijk iets doet, is het wel de kwetsbaarheid en onzekerheid blootleggen die er altijd al waren maar die we zo graag wegdenken en -wensen. En in die situatie is het een kleine stap naar fictieve zekerheden en maar al te reële woede en wrok tegenover wie zich aandient als zondebok. Die combinatie van fundamentalistische frustratie en fictie is levensgevaarlijk. Niet alleen omdat mensen in zulke omstandigheden vooral elkaar te lijf gaan. Maar ook omdat we zo geen aandacht meer hebben voor de gezamenlijke actie die nodig is oog in oog met maar al te reële problemen: het kroonvormig virus waarmee het vorig jaar begon, de klimaatcrisis waarvoor dit nog maar de generale repetitie is, en de woedepolitiek die dreigt als we de onvermijdelijke kosten van  het virus en de klimaatcrisis niet eerlijk verdelen.

 

I can’t breathe!

Het kan geen toeval zijn dat Black Lives Matter vorig jaar ontvlamde op een moment dat het virus miljoenen mensen de adem benam: met de videobeelden van een man die herhaaldelijk I can’t breathe! riep en uiteindelijk stierf toen hij echt geen lucht meer kreeg. Wat begon als een volkomen terechte uiting van woede over de zoveelste dood van een zwarte Amerikaan door politiegeweld, werd al snel een tragikomische exercitie in extremisme. Een op één hoop vegen van alle mogelijke manieren waarop ‘mensen van kleur’ door ‘systemisch racisme’ zouden worden gekleineerd, met daarbij de suggestie – of zelfs openlijke stelling – dat ieder die ‘wit’ is vol voorrechten leeft en dat wie niet ‘wit’ is, tegenwoordig in het Westen slechter af zou zijn dan wie waar en wanneer ook ter wereld (een interessant perspectief voor de ‘witte’ Joodse slachtoffers van de Holocaust, én voor degenen die ooit leden onder de Zuid-Afrikaanse Apartheid, of onder lynching mobs in Alabama of Mississippi). En daarna een golf van onverdraagzaamheid en kleinzielig gesleutel aan de verkeerde of juiste woorden, het cancellen van wie niet de juiste kleur bezit of de toegestane taal gebruikt, met als meest recente dieptepunt het aanwijzen van sensitivity readers die als de grootinquisiteurs van deze tijd klassieke werken te lijf gaan als Dante’s Divina Commedia. Je zou ze een eeuwigdurend verblijf toewensen binnenin een brandende grafkist in de zesde kring van de hel… ware het niet dat je betere engelen je hier net op tijd voor behoeden, als beschaafd mens.

 

Extremisme, met mate

“Extremisme vind ik prima, maar met mate,” zei Theo Maassen ooit. Dat lijkt een ongerijmdheid, maar is een paradox. Juist wie tot het uiterste voor haar of zijn idealen gaat, dient namelijk steeds koele relativering op diezelfde idealen los te laten, en heeft vooral oog voor de menselijke maat: ons onvermogen om absoluut geluk te realiseren, ons aanmodderen, ons betrekkelijke gelijk, alles dus wat menselijk is, maar al te menselijk. Extremisme is idealisme waar geen maat op staat, dat bijvoorbeeld totale vrijheid nastreeft in een tijd waarin een dergelijke vrijheid helaas bijzonder besmettelijk is; of dat juist volledige opsluiting wenst waar een dergelijk ophokken wellicht het virus zou stoppen, maar het ook onze welvaart en ons levensgeluk vakkundig vernietigt. Extremisme is ieder die een bepaalde kleur heeft eerst en vooral op die kleur beoordelen en liever nog veroordelen; het is jezelf moreel superieur verheven achten boven degenen die ‘het’ nog niet begrepen hebben; het is ‘zwart-wit’ mensen in groepen proppen terwijl ze individuen zijn, met voorrechten en tegenslagen, met verdiensten en tekorten, maar bovenal met een kleurenrijkdom die alle kortzichtigheid tart.

Voor dit extremisme, deze verbetenheid en verkramping, is er een alternatief. Het wordt ons aangereikt door een man die in zijn tijd  te dealen had met zowel de onverdraagzaamheid van blanke als van zwarte racisten. Op 16 april 1963 schreef hij een open brief vanuit de cel in Birmingham, Alabama, waar Martin Luther King beland was door zijn burgerlijke ongehoorzaamheid tegen een toendertijd onmiskenbaar racistische overheid. De brief was een antwoord op degenen die zijn activisme bekritiseerden, en is bekend geworden als de Letter from Birmingham Jail. Hierin merkte King onder meer op: “De vraag is niet of we extremist zullen zijn, maar wat voor extremist we zullen zijn. Zullen we extremisten zijn voor haat, of zullen we extremisten zijn voor liefde?” Voor die keuze staan we ook vandaag, oog in oog met een plaag.

 

 

 

 

 

Lockdown? Open up! Zo besloot ik een jaar terug een van mijn eerste artikelen over de coronacrisis. Sinds die tijd heb ik heel erg veel Zoomcolleges geven en van net wat minder frequente fysieke ontmoetingen genoten. Voor mijzelf, maar ook voor heel veel anderen bleek filosoferen geen luxe te zijn, maar een eerste levensbehoefte. Juist nu.

Twee andere behoeftes bleven de voorbije maanden van lockdown en avondklok onvervuld. De eerste: weer in een fysieke ruimte samenkomen. Meer dan alleen elkaars hoofden of bovenlijven zien. Echt kunnen merken hoe anderen op je reageren. Je huis uitkomen en op plekken belanden die je nog niet of nauwelijks kende. De tweede: langer en diepgaander met elkaar kunnen praten dan een college toestaat.

Het zijn deze twee doelen die ik hoop samen te brengen in wat ook voor mij een nieuwe ervaring gaat zijn: mijn eerste echte eigen Zomerschool Goed Leven. Vijf dagen lang filosoferen over onszelf en de wereld om ons heen. Bespreken wat onze ervaringen zijn met persoonlijke ontwikkeling én met maatschappijverandering. Ofwel: hoe verbeteren we de wereld, en worden we zelf een nóg aangenamer mens.

Aan de hand van klassieke én moderne filosofen; mijn boeken ‘Staat van tederheid’, ‘Verbeter de wereld, begin om halfelf’ en ‘De wereld omgekeerd’; en wat de tien tot veertien cursisten zélf inbrengen, verkennen we vijf dagen lang de kunst van het goede leven – doen wat goed voelt voor jezelf, doen wat goed kan zijn voor de wereld, en doen waar jij als geen ander goed in bent.

Filosofen als Epicurus en Aristoteles lieten met hun scholen al zien hoe belangrijk goed gezelschap én praktijkoefening is wanneer je filosofie werkelijk wilt beleven. Daarom is er in deze week heel veel tijd voor gesprekken met elkaar: onder de cursisten zelf en 1-op-1 van cursisten met mij. En daarom bekijken we steeds wat we in onze eigen levens herkennen van de teksten die we in alle rust bestuderen en bespreken, en bevragen we elkaar op wat we er eenmaal thuis mee denken te gaan doen.

Op de eerste dag draait het om de vraag: ‘Wie zijn we?’ We verbinden ons beeld van onszelf met de meer universele mensbeelden die filosofen ons hebben meegegeven. Dag 2 gaat het om de vraag: ‘Waarom zijn we er?’ Ook daarbij leggen we verbanden tussen de antwoorden die ‘Grote Denkers’ hebben gegeven op deze zg. ‘zingevingsvraag’ en de zin die we ieder apart aan ons eigen leven geven. Op dag 3 staat de vraag centraal: ‘Wat willen we?’ Dat betekent niet alleen nagaan wat  de doelen, ambities en idealen zijn waarmee we onszelf motiveren; maar ook de vraag verkennen hoe mensen in deze wereld tot gezamenlijke projecten komen die hen zowel verbinding als vrijheid gunnen. Dag 4 proberen we de vraag te beantwoorden ‘Wat houdt ons tegen?’ Wat zijn de psychologische obstakels en filosofische wetmatigheden die verandering in de weg staan: hoe noodzakelijk en aantrekkelijk deze ook lijkt? Op de vijfde, laatste dag sluiten we de week af met een reeks antwoorden op de vraag ‘Wat gaan we doen?’, waarbij we ons laten inspireren door elkaar en door denkers die ook doeners zijn, verandering- en berustingskunstenaars zoals de stoïcijnen, boeddhisten en taoïsten.

De plaats van handeling is conferentiecentrum Samaya: een voormalig klooster in de weilanden tussen Betuwe en Utrechtse Heuvelrug. Een prachtige en rustige plek waar je ook goed kunt slapen, eten en drinken, wandelen en fietsen. De tijdstippen: maandag 19 tot en met vrijdag 23 juli; óf zondag 1 tot en met donderdag 5 augustus. De kosten:  €1400,- voor de hele week cursus inclusief maaltijden en overnachting op een eenpersoonskamer. Eventueel zijn ook enkele tweepersoonskamers beschikbaar, dan komen de kosten op €1200,- per persoon.

Je kunt je voor de Zomerschool in juli bij mij opgeven tot en met zondag 18 april; en voor de Zomerschool van augustus tot en met vrijdag 30 april. Mailen: contact@remkovanbroekhoven.nl. Indien de cursus vanwege coronamaatregelen van de overheid niet doorgaat, wordt de boeking kosteloos geannuleerd en krijg je dus je geld terug. In elk ander geval geldt: open up!

 

 

Perictione of Plato? De laatste ken je zo goed als zeker. De eerste zo goed als zeker niet. Of je kent haar hoogstens als Plato’s moeder. Toch was Perictione zelf ook filosofe. Wat dacht ze, wat vond ze, wat schreef ze? We weten het niet. Plato zelf schrijft niet over haar, terwijl hij het zoals bekend vaak en veel over Socrates heeft. Er zijn wat werken bekend die haar als auteur vermelden. Daarvan wordt inmiddels aangenomen dat ze na Plato’s tijd zijn vervaardigd en dus niet door haar geschreven kunnen zijn. Er wordt soms zelfs getwijfeld of Perictione echt heeft bestaan en of ze wel echt filosofe was.

Wie zal het zeggen. Hoe dan ook is het lot van heel veel getalenteerde denkers door de eeuwen heen dat ze genegeerd of geridiculiseerd werden omdat ze geen man waren. Of dat ze niet eens filosofie mochten of durfden te bedrijven, ook weer vanwege hun vrouw-zijn. De meeste opleidingen filosofie draaien vandaag de dag nog steeds om mannelijke denkers: Socrates, Plato en Aristoteles bijvoorbeeld; Kant, Nietzsche en Marx; John Rawls, Albert Camus of Jean-Paul Sartre.

Ikzelf – toevallig man, het zal je misschien zijn opgevallen – leerde het filosoferen van mijn moeder Miriam (van Reijen), kenner van Spinoza en de stoïcijnen, en een van de meest inspirerende en toegankelijke filosofen die ik ken. Niet voor niets bewijs ik Miriam eer in mijn laatste boek ‘De wereld omgekeerd’. Dat heb ik dan hopelijk alvast beter dan Plato gedaan, ook al kan ik wellicht verder niet in zijn voetstappen staan. Of die van Miriam, laat dat anderen maar bepalen…

Later bestudeerde ik filosofes als Simone de Beauvoir, Hannah Arendt, Martha Nussbaum en – mijn favoriete denker van dit moment – Danielle Allen. In de geschiedenis van de filosofie zijn vrouwelijke denkers te vaak over het hoofd gezien. Ik ben dan ook ontzettend blij dat ik dit najaar een cursus over vrouwelijke denkers mag geven bij het Hoger Onderwijs voor Ouderen in Utrecht. Dit voorjaar doe ik het alvast via Zoom voor wie jonger dan vijftig is of  niet wachten kan. Het zal daar over de bovenstaande filosofes gaan, maar bijvoorbeeld ook over Etty Hillesum en Ayn Rand; en over thema’s als feminisme en gender, macht en onmacht, goed en kwaad, ratio en emoties, zorg en onzichtbaarheid.

Wie mijn colleges ooit heeft gevolgd, weet hoe ik werk: bevlogen en tegelijk down to earth; met wat de denkers zelf zeiden of schreven, heel veel videofragmenten en de nodige mogelijkheden tot interactie; zodanig kortom dat zelfs een Zoomcollege een fysieke én geestelijke belevenis wordt, waarbij we werkelijk tot elkaar en tot de behandelde ideeën komen.

Data: de donderdagen 20 en 27 mei; 3, 10, 17 en 24 juni. De tijdstippen: 19.00-21.30. De kosten: 150 euro. 

Je kunt je opgeven via: contact@remkovanbroekhoven.nl

 

Soms adviseren filosofen je de dingen die je zelf ook wel had kunnen bedenken. Tot tien tellen bijvoorbeeld. Dat is wat de stoïcijn Seneca ons voorhoudt als remedie voor je eigen woede. Hij vertelt over Socrates die ooit in razernij zijn slaaf wilde slaan. Net op tijd bedacht hij zich, en zei toen: ‘Ik zou je slaan als ik niet boos was.’ De filosoof begreep dat slaan misschien niet de beste oplossing was, dat hij iets zou kunnen doen waar hij later spijt van zou krijgen en dat als hij al wilde straffen, dit misschien beter kon gebeuren op een ander moment en met een weloverwogen besluit. Seneca: “De terechtwijzing van de slaaf stelde hij uit tot het ogenblik dat hij meer bij zinnen zou zijn, op dit ogenblik wees hij zichzelf terecht.”

 

Een dichter door het stof

Ik was woedend de afgelopen week. Mijn eerste impuls was om een post op Twitter of Facebook te plaatsen. En dan tekeer te gaan tegen degenen die een dichter door het stof lieten gaan omdat ze blank is; en tegen het idee dat een mens van kleur het werk van een mens van kleur moet vertalen. Omdat alleen zij of hij de pijn van een African American zou kunnen aanvoelen en omdat te vaak donkere dichters worden overgeslagen. Ik deed het niet, en telde tot tien. Wel las ik de bijdragen van anderen die mijn gedachten en gevoelens verwoordden, deelde en likete ik ze of plaatste ik er een kort commentaar bij. En nu ik dan tot tien heb geteld, schrijf ik alsnog. Niet om tekeer te gaan en anderen terecht te wijzen, maar om het meningsverschil voorbij te gaan, mijn eigen woede en gekrenktheid ook. Ik wil een poging tot verzoening doen.

 

De Mandela van de lage landen

Het is niet dat ik de Gandhi of Mandela van de lage landen ben. Ik heb een miniem podium en een beperkt publiek, en nogal wat temperament. En laten we wel wezen: de vraag wie precies van een zekere uitgever in A’dam een bepaald gedicht mag vertalen in – hou je vast – het Nederlands, is nou ook weer niet wereldschokkend. Volgende week hebben we vast weer een andere rel waarbij mensen elkaar schuimbekkend hun waarheden in het gezicht kunnen slingeren. En ondertussen woekeren de corona- en klimaatcrisis door, of het nu Marieke Lucas Rijneveld is of een nu nog onbekende dichter met de juiste hoeveelheid pigment, die de poëzie van Amanda Gorman in fraaie woorden weet te vatten. Ik merk dat ik mijn woorden weeg, en dat ik evenveel schrap als schrijf.  Ik wil niet alsnog mijn gelijk proberen te halen of toch weer mijn woede ventileren over wat ik onzinnig en onrechtvaardig vind. Ik wil dat we als verschillende mensen die nu tegenover elkaar staan, tot elkaar komen om – welke opinies, en kleur, sekse of seksuele voorkeur we ook hebben – samen de grote problemen aan te pakken die ons bestaan bedreigen: het virus, de vernietiging van de natuur, de immense ongelijkheid tussen wie in armoede leeft en wie in overdaad.

 

Mij zie je niet in talkshows

En geloof me, beste tegenstander in dit debat: ik begrijp je best. Sterker nog, ik voel misschien niet exact dezelfde maar wel een vergelijkbare woede over onrecht en ongelijkheid. Zo’n veertig jaar geleden werd ik politiek actief en een van de zaken die mij in al die jaren het meest pijn deden was de discriminatie van anderen, in Amerika, Zuid-Afrika en in ons eigen Nederland. Daar voerde ik actie tegen, soms in betaalde dienst en veel vaker als activist. Nu dan ben ik verontwaardigd wanneer ik het gevoel heb dat we blanken afrekenen op hun blank zijn, iets wat ik evenzeer afwijs als racisme tegen wie níet blank is en iets wat bovendien de zaak van de gelijkheid niet dichterbij brengt, maar juist verder weg. Maar hé, nu dreig ik opnieuw mijn punt te gaan maken, het punt dat ik hier niet maken wil. Ook ik als blanke voel soms woede en – laat ik voor mezelf spreken – zelfs miskenning, afgunst en verongelijktheid wanneer ik moet vaststellen dat ik ondanks de talenten die ik denk te hebben, gepasseerd word en niet op het podium mag staan waar ik graag iets goeds zou bijdragen. Ik krijg geen column in een landelijke krant, ik word niet uitgenodigd voor talkshows, in tegenstelling tot vele anderen met of zonder een kleur die volgens mij lang niet altijd iets originelers hebben te vertellen en zeker ook niet per se iets constructievers. Ook ik voel me nogal eens afgewezen en genegeerd. Dat zou een band kunnen scheppen tussen ons, in plaats van een conflict. Laten we elkaars negatieve gevoelens herkennen, in plaats van ieder onze eigen negativiteit op elkaar los te laten.

 

In een vlek moet je niet wrijven

Nee, ik heb nog een beter idee. Laten we ons bevrijden van onze negativiteit en samen iets positiefs neerzetten. Ik weet dat het niet makkelijk is. ‘In een vlek moet je niet wrijven,’ luidt de traditionele wijsheid, ooit bedacht voor huisvrouwen maar ook zeer geschikt voor wijsneuzen en wijsgeren. En toch hebben we iedere keer weer de neiging om wat al lelijk is, van nog meer aandacht en vooral nog meer negativiteit te voorzien. Dat zal voor een deel komen doordat strijd altijd weer iets spannends en sensationeels heeft; doordat geweld griezelig is maar je ook een uitlaatklep biedt; en doordat we als we een goede zaak in botsing zien komen met een ‘slechte’, we helaas niet altijd de blik gericht houden op die goede zaak (keep your eyes on the prize), maar negatieve energie gaan richten op wat wij als negatief ervaren. Menselijk, maar al te menselijk.

 

Het zwarte gat dat Wilders heet

Toen ik bijna tien jaar terug onderzoek deed naar de manier waarop de journalistiek omging met het fenomeen Wilders, ontdekte ik bijvoorbeeld dat die niet zozeer heel veel aandacht kreeg van ‘rechtse’ media als het AD en De Telegraaf; maar vooral van ‘linkse’ journalisten en columnisten (en overigens ook politici) bij VARA en NOS, Volkskrant, Trouw en NRC. Op elke uitspraak van de politicus reageerden ze met woede en vooral nogal wat letters, minuten en energie, een veel en veel betere zaak waardig. Zo gingen ze mee in wat ongetwijfeld een strategie van Wilders was: stevige uitspraken doen, op of over de rand van de xenofobie, en dan aandacht en steun scoren van het publiek, met dank aan de woedende reacties van je tegenstanders. Die dus duchtig in een vlek wreven waar ze misschien beter verre van waren gebleven. Om een andere metafoor te hanteren: Wilders fungeerde als een groot zwart gat waaruit geen licht ontsnappen kon. Dat schreef ik destijds ook op in een opinieartikel voor een landelijke krant, een artikel dat – story of my life 😉 – ongepubliceerd bleef.

 

Schreeuwen in De Zwijger

Weer een kleine vijf jaar verder belandde ikzelf in zo’n zwart gat. Jihadisten vermoordden tien medewerkers van het tijdschrift Charlie Hebdo, drie politiemensen, en vier Joden in een Parijse supermarkt. Ik was… woedend. Als voormalig journalist raakte mij het afslachten van journalisten; als burger die beseft hoe belangrijk politie is voor onze veiligheid, raakte mij de moord op de politieagenten; als mens die weet heeft van de Holocaust raakte mij de antisemitische terreurdaad. Boven alles raakte mij het wezenloze nemen van levens door mensen die daarmee hun eigen leven wezenloos maakten. Ik schreef er een vlammend artikel over voor The Post Online, en werd vervolgens uitgenodigd voor een discussieavond in Pakhuis De Zwijger. Had ik het daar maar bij zwijgen gelaten. Eens te meer echter nam mijn verontwaardiging de overhand. Het ging nauwelijks over (de oorzaken van en oplossingen voor) de terreurdaad die nog geen twee weken eerder had plaatsgevonden. Het ging wel over het onrecht dat Marokkaanse Nederlanders zou treffen, de moslims die nu gevaar liepen, en de  ondervertegenwoordiging van allochtonen in de media. Ik merkte (juist: woedend) op dat er wel net journalisten waren vermoord omdat ze journalist waren en Joden omdat ze Joods waren, en dat dit me het grotere onrecht en de eerste prioriteit leek. Waarop enkele sprekers (een van hen was Farid Azarkan, die later bekend zou worden als Kamerlid van Denk) honend suggereerden dat ik een racist en islamofoob zou zijn.

 

In de hoek waar de klappen vallen

Het gaat er hier eens te meer niet om wie er gelijk had, en wie er in de hoek zit waar de klappen vallen. Ik onthield van deze schreeuwerige avond in De Zwijger vooral hoe zinloos het is om op haat met verbetenheid te reageren. Dus het eerste wat ik deed toen ik weer thuis en zo’n beetje bijgekomen was, was inzetten op verzoening en verbinding. Ik organiseerde een reeks bijeenkomsten op de School voor Journalistiek waar ik destijds werkte: zonder publiek dat bijval of afkeuring zou geven, maar mét een groepje mensen dat aan de ene kant zeer verschillend was maar waarbij voor iedereen gold… we willen verder komen, als moslim of niet-moslim, als ‘witte’ of ‘zwarte’ Nederlander, als vrouw of man. Geen hond die het verder merkte buiten het lokaal waarin wij bijeenkwamen, maar wat voelde het goed om elkaar wat beter te begrijpen… juist gezien de pijn en de woede die er aan beide kanten bestond en die soms ook precies degene betrof die aan de andere kant van de tafel zat.

 

Denk niet wit, denk niet zwart…

En toen waren we weer vijf jaar verder en ging het middenin de coronacrisis over zwart en wit op een manier die vaak ook niet verder kwam dan zwart-wit. Meer dan eens schoten de woorden door me heen die Frank Boeijen schreef nadat in 1983 de Antilliaanse Kerwin Duinmeijer was vermoord, een gebeurtenis die ik me goed herinner omdat het bij mij de doorslag gaf om actief tegen racisme te worden: ‘Denk niet wit, denk niet zwart, denk niet zwart-wit’. In 2020 was mijn woede dezelfde als die van miljoenen anderen op de wereld die de beelden van George Floyd zagen met zijn “I Can’t Breathe…” Maar in het vervolg van die woede raakte ik verdrietig en teleurgesteld over de wijze waarop dit staaltje politiegeweld werd verbonden met white privilege en Zwarte Piet. Ik schreef er op deze site en in De Telegraaf een opinieartikel over: ‘Ik ben niet je witte’. Zowel de inhoud als het feit dat ik in De Telegraaf publiceerde, kwamen me op felle persoonlijke aanvallen te staan, aanvallen die ik soms fel en persoonlijk beantwoordde. Maar toen ik mijn opponenten vroeg wat we nu eigenlijk samen doen aan de crises van deze tijd, bleek uit hun antwoorden dat we een bezorgdheid delen, en dat we wellicht het racisme-vraagstuk verschillend benaderen maar dat we op het vlak van klimaat voor een deel dezelfde keuzes maken, als veganisten bijvoorbeeld.

 

Werken aan een gedeelde droom

En nu dan dit debat over de vertaling van een gedicht inmiddels weer zo’n beetje geluwd is, realiseer ik me dat we er echt goed aan doen om de blik gericht te houden op wat ons allen bedreigt (en degenen die al achtergesteld zijn, nog net wat meer): het virus, de oververhitting van de aarde, de economische misère die kan toeslaan waar corona en klimaat kosten opleveren, en niet te vergeten de woede als gevolg van dat alles die kan uitmonden in politiek die ons alleen maar verder verdeelt. We kunnen het ook positief stellen. Laten we voorbij onze verschillen samenwerken aan een gedeelde droom: de economie van het genoeg, een waarachtige democratie, kleurenrijkdom in plaats van kleurenblindheid of zwart-wit.

 

Wat zullen we samen doen?

Ooit ontdekte ik dat ik anderen tot razernij brengen kon. Soms alleen maar met een smalend lachje (dat sommige van mijn leraren op de middelbare school zo woedend maakte dat ze me een tik om de oren gaven, andere dat ze me schreeuwend het lokaal uitstuurden). Vaker met morele veroordeling of humor-ten-koste-van. Ja, dat kun je ook als een vaardigheid zien, als een kwaliteit. Vandaag de dag vermoed ik dat wie een dergelijke gave bezit, daar maar beter geen gebruik van maakt. Liever draag ik dus niet langer bij met mijn scherpe pen, mijn splijtende woordje of mijn ongecontroleerde woede. Ik tel tot tien. En dan stel ik je die ene vraag die me mét en voorbij het verschil aan de orde lijkt: wat zullen we samen doen?

 

Photo by Kelly Searle on Unsplash

 

 

 

 

 

 

 

 

Er gaan dagen voorbij dat ik niet denk aan Britney Spears. Toen ze eind jaren negentig doorbrak met ‘Baby One More Time’ luisterde ik naar andere muziek, en ook ‘Oops! I Did It Again’ kon me nauwelijks bekoren. Mocht ik ooit alsnog geïnteresseerd dreigen te raken in haar persoonlijkheid en wereldbeeld, dan deed dat ene korte fragment in Michael Moore’s Fahrenheit 9/11 de deur dicht. Meteen nadat hij een Iraakse vrouw had getoond die rouwde om haar familieleden, zojuist gedood bij een VS-bombardement (‘Waar ben je, Allah, waar ben je?!?’), monteerde Moore een fragment van de jonge zangeres in zijn documentaire. Al kauwgom kauwend, zegt ze: “Eerlijk gezegd vind ik dat we onze president moeten steunen bij elk besluit dat hij neemt. Blijf trouw, wat er ook gebeurt.”

 

Een gevalletje montagemoord

Toegegeven, dat was een typisch gevalletje montagemoord. Had de popdiva zelf de beelden gezien van wat haar president zojuist ver van huis had aangericht, dan had ze wellicht een heel ander commentaar gegeven. En mag je van een tienerster überhaupt afgewogen commentaar verwachten op wat zich buiten zijn of haar bubbel bevindt? Er zijn nogal wat mensen die menen dat de inmiddels 39-jarige zangeres eerherstel verdient. Begin deze maand bracht nota bene The New York Time een documentaire over Spears uit. Daarin valt onder meer op te tekenen dat ze eigenlijk een rolmodel is van autonomie en zelfaanvaarding; van niet willen behagen; van tolerantie ook voor mensen van welke minderheid dan ook, bij voorkeur groepen die we kunnen aanduiden met een nauwelijks uit te spreken brei van medeklinkers. Wel, dan heb je mijn interesse als filosoof. Dus toch maar even didactisch verantwoord gekeken naar de documentaire, die zeer toepasselijk en dubbelzinnig Framing Britney Spears is genoemd.

 

#FreeBritney

Als iets duidelijk wordt uit de docu, dan is het wel dat de hele showbizz-minnende wereld een beeld heeft van Britney Spears en haar daar koste wat kost in probeert te proppen, te framen dus. Dit betreft niet alleen de onvermijdelijke hele of halve vertrouwelingen van de popdiva; de fans die haar met een heuse #FreeBritney-campagne proberen te verlossen van de ijzeren greep waarin haar vader haar en vooral haar verdiensten houdt. Of de roddeltantes en paparazzi-fotografen voor wie Spears alweer meer dan twintig jaar een ‘verdienmodel’ is. Maar ook de zichzelf onvergelijkbaar veel serieuzer nemende vertegenwoordigers van de kletsende klasse, zoals Wesley Morris, recensent voor The New York Times. De videoclip van Baby One More Time, waarin een dan 16-jarige Britney ronddanst in een sexy variant op een schooluniform, voorziet Morris van het volgende commentaar: “Niet het seksuele maakt het cool, maar de controle en de zeggenschap over zichzelf en haar omgeving.”

 

Yeah Right…

Daar kunnen alle oudere mannen het mee doen die niet alleen deze jonge vrouw maar vooral zichzelf te kijk zetten met hijgerige vraagjes waarin de seksuele suggestie nooit ver weg is en zich in de regel hinderlijk naar de voorgrond dringt. De zestiger bijvoorbeeld die een 10-jarige Britney, nadat ze zojuist een ijzersterk stukje zang heeft neergezet, niets anders weet te vragen dan: “Ik zag vorige week dat je prachtige oogjes hebt. Heb je ook een vriendje?” “Nee, ze zijn gemeen.” “Ik ben niet gemeen, wat dacht je van mij?” Een volgende heer op leeftijd, enkele jaren verder: “Voor velen ben je een tegenstrijdigheid. Aan de ene kant ben je de lieve, onschuldige maagd; aan de andere kant een sexy vamp in ondergoed.” Een andere commentator, ditmaal een oudere dame:  “Er zit zeker een paradox in hoe ze werkt.” Correctie door een andere dame aan de talk show-tafel: “Hoe ze zich kleedt…” De eerste vrouw weer: “Zo onschuldig lijkt ze niet.” En dan is er onze eigen Ivo (Niehe), die zijn fifteen seconds of being (in)famous opluistert met een: “Iedereen heeft het erover.” Spears: “Waarover?” “Nou… je borsten…”

 

Je innerlijke Ivo

‘Bevrijd jezelf van je innerlijke Ivo,’ schreef Volkskrant-columnist Loes Reijmer, na het bekijken van de documentaire. Immers: “De echte pijn zit in de vanzelfsprekendheid waarmee Spears wordt geacht verantwoording af te leggen over haar lijf, de onbeheersbare drang om ons te bemoeien met vrouwenlichamen, ze te bestuderen, evalueren en becommentariëren, centimeter voor centimeter, in de hoop wijzer te worden over het lijdend voorwerp, iets te onthullen of haar bestraffend te kunnen toespreken.” Helemaal raak. Maar slechts de helft van het verhaal. Want op het gevaar af om nu, als ‘oudere man’ nog wel, een nieuw hoofdstukje toe te voegen aan het framen, het bestuderen, evalueren en becommentariëren, en iemand bestraffend toe te spreken die we natuurlijk niet echt kennen, wat we ons ook verbeelden… de ‘seksualisering’ van Britney Spears is in sterke mate haar eigen werk en van al die anderen in haar entourage die nu al bijna een kwart eeuw aan haar verdienen.

 

Oops! I Did It Again

Je zou dat ‘controle’ en ‘zeggenschap’ kunnen noemen, of zelfs ‘autonomie’ – om dit filosofische concept maar eens los te laten op de vertolker van Oops! I Did It Again. Vergelijkbare theorieën en theorietjes zijn de voorbije decennia toegepast op andere zangeressen die hun seksualiteit in de strijd gooiden, zoals eerst Madonna en later Beyoncé. Ik zie vooral zakenvrouwen die weten dat ze met hun lichamelijke aantrekkingskracht aandacht, bevestiging én heel veel centjes kunnen binnenhalen. Zo was Britney Spears het uithangbord van onder meer ondernemingen als Clairol, Polaroid en Pepsi. Met commercials voor de colafabrikant verdiende zij tussen 2001 en 2002 7 tot 8 miljoen dollar, tot ze er plaats maakte voor… Beyoncé. Dat was de reden dat toen we in 2003 met De wereld is niet te koop actie voerden tegen een straatbepalende steigerreclame van Pepsi in het hartje van onze stad, we ons gekscherend tooiden met de naam Britney Spears Brigade. Zowel de clips als de commercials van Spears toonden haar in de regel met zo weinig mogelijk kleren aan. Datzelfde gold voor de journalistieke covers die ze vulde, zoals die van Rolling Stone. Wanneer ze in 1999 op de voorkant van dit blad staat en een (ditmaal vrouwelijke) interviewer haar vraagt naar haar ‘Lolita-look’, antwoordt ze: “We zijn allemaal meiden en dat is een deel van wie we zijn. Je liegt als meisje als je zegt dat je je niet sexy wil voelen.”

 

Onze binnenste Britney

Ook weer helemaal waar, en hetzelfde zou kunnen gelden voor net wat oudere vrouwen, voor jonge jongens en zelfs voor – ik zeg maar wat – het jongetje in het lijf van een 54-jarige man: je mooi of zelfs ‘sexy’ willen voelen, daar is niets mis mee. Wat ik problematischer vind is de manier waarop hele volksstammen zich in onze samenlevingen voortdurend bezighouden met hoe ze eruitzien en of anderen daar wel of niet opgewonden van kunnen en zullen raken. Niet alleen omdat je jezelf hiermee tekort doet als een mens die zoveel meer is dan zijn of haar borsten, billen en benen; maar ook omdat je er anderen die wellicht wat minder goed scoren op ‘uiterlijke schoonheid’, nadrukkelijk mee inwrijft wat zij missen. Je zou kunnen zeggen dat het niet alleen de kunst is om ons te bevrijden van onze innerlijke Ivo, maar ook van onze binnenste Britney, dat meisje of dat jongetje dat constant probeert te behagen en te verleiden. Of, zoals feministe Germaine Greer een paar jaar geleden opmerkte, naar aanleiding van Spears’ collega Beyoncé: “I think she is a fantastic musician. Beautiful voice, as true as a bell. But why has she always to be fucking naked and have her tits hanging out? Why?”

 

Werken met aasgieren

Goede vraag. Eén antwoord: wie van jongs af aan ontdekt dat hij iets te winnen heeft met haar of zijn looks, is geneigd daarvan gebruik te blijven maken, zeker als het op een zeker moment om veel geld en veel aandacht gaat. Wesley Morris, wanneer hij refereert aan het moment dat Spears zich in 2007 ineens kaal schoor: “Met haar kale hoofd zegt ze in feite: ik kap ermee. Als jullie denken dat ik terugkom en weer die persoon ben: vergeet het. Die persoon is er niet meer. Jullie hebben haar kapotgemaakt. Als mensen haar alleen maar als gestoord kunnen zien… kom ik tot de conclusie dat ze om te beginnen deel uitmaakte van een samenleving van aasgieren.” Zijn eigen Engelse formulering is – waarschijnlijk onbedoeld – veelzeggend: “What a vulturous society she was working with to begin with.” Ze werkte ermee, dat wil zeggen, Spears gebruikte en bespeelde het soort aandacht dat haar ten deel viel: voor haar lichaam, en niet zozeer voor haar stem of meningen. Het maakt beweringen over de ‘objectivering’ van de ster toch op z’n zachtst gezegd wat eenzijdig.

 

Put your erection in my direction

Dit is iedere keer weer de zigzagbeweging rondom showbizz-sterren als Spears: ofwel ze worden gezien als willoze objecten en slachtoffers; ofwel als volstrekt autonome ‘Power Vrouwen’ die ook – juist – in control zijn als andere vrouwen of mannen op hen geilen. Het is maar wat voor aandacht je wenst. Het punt is dat het fenomeen genuanceerder is dan dat: ‘sekssymbolen’ maken zichzelf tot een lustobject, terwijl degenen die hen als zodanig behandelen (de Ivo’s van deze wereld) al evenmin de beste versie van zichzelf laten zien. Die sekssymbolen kunnen dus ook mannen zijn. Ik moet even denken aan de boodschap die een Nederlands pubermeisje op een stuk karton schreef toen ze naar een optreden toog van haar idool, Harry One Direction Styles: put your erection in my direction. Reken maar dat Harry zich bewust was van wat hij in jonge meiden losmaakte (en anders wel zijn manager), hoe ongemakkelijk hij zich er ook bij tijd en wijle bij zal hebben gevoeld.

 

Kant over Britney

Dat brengt me op Immanuel Kant. Ruim 200 jaar geleden beschreef de filosoof zijn ‘categorische imperatief’ als een alternatief voor iets wat we nogal eens geneigd zijn te doen: anderen als middel tot ons doel beschouwen, en gebruiken. Maar hij ging nog iets verder. Kant raadde ons ook aan om onszelf niet als middel voor andermans doel te presenteren: “Handel zo dat jij het mens-zijn, zowel in je eigen persoon als in de persoon van ieder ander, altijd tegelijk als doel, nooit als louter middel gebruikt.” Natuurlijk wist Kant dat we constant kijken wat we aan anderen kunnen hebben, en dat we ook maar al te goed weten wat wij die anderen te bieden hebben. Daarom zegt hij ook ‘altijd tegelijk als doel, nooit als louter middel’. Wat ik vooral in Kants gebod lees, is de aansporing om mensen te blijven zien als de hele mens die ze zijn, in plaats van hen steeds en slechts te reduceren tot (een moment van) seksueel genot. Dat is op de eerste plaats iets wat je je zelf kunt voorhouden: de bereidheid om jezelf niet te etaleren als een lustobject… of je nu vrouw bent of man; bi, homo of hetero. Het is ook het anderen beoordelen op wat ze veel meer zijn dan alleen een al dan niet fraaie man of vrouw. Dit geeft weer een hele andere betekenis aan het #FreeBritney of het ‘Bevrijd jezelf van je innerlijke Ivo’: jezelf niet verliezen in het lichaam van een ander, maar al evenmin in wat jouw eigen lichaam allemaal wel niet met anderen ‘moet’ doen.

 

De Britney Spears Brigade

Ironisch genoeg is het Michael Moore die in Framing Britney Spears een van de verstandigste dingen zegt van alle talking heads die erin te beluisteren zijn. In 2008 – vier jaar nadat hij haar onbarmhartig wegzette als dom wicht in zijn eigen Fahrenheit – is hij te gast bij Larry King. Die bespreekt Spears’ opname in het ziekenhuis vanwege psychische problemen, met als gevolg een onder-curatele-plaatsing door haar vader. Moore: “Waarom laten we haar niet met rust? Laat haar verder gaan met haar leven.” De grap is dat de diva zelf er in de jaren die volgden, alles aan heeft gedaan om níet met rust gelaten te worden en dat ze dit eens te meer minstens zowel met haar seks als met haar stem heeft bewerkstelligd.

 

Maar ik denk dat het nu tijd wordt om de daad bij het woord te voegen en tot een heroïsche laatste veldslag te komen van wat eens de Britney Spears Brigade was. Laat haar met rust, en als je van haar muziek houdt, luister dan simpelweg naar haar muziek in plaats van je blind te staren op haar lijf. Ik op mijn beurt raad je aan om ook eens naar een andere documentaire te kijken. Bij voorkeur over vrouwen die niet met hun looks paraderen maar prachtige ideeën én daden presenteren. Het denkende hart van Etty Hillesum bijvoorbeeld. Nothing is Forgiven, over de strijd van Zineb el Rhazoui tegen jihadistische moordenaars en deugneuzen met slappe knieën. Of I Am Greta (need I say more?). Want we zijn zoveel meer en zoveel mooier dan alleen ons lichaam en ons verlangen naar een lichaam.

Vergeef me virus, maar mag ik je bij dezen ‘klootzak’ noemen? Verknalde je eerder dit jaar al de presentatie van mijn boek, nu draai je het definitief de nek om, net nu ik er alsnog over kon vertellen op het Brainwash-festival, een plek waar ik al jaren hoopte op te treden. Zojuist kreeg ik te horen dat het niet doorgaat, zondag. Daar gaat een jaar lang denken en schrijven, daar gaat alle energie, liefde en creativiteit die ik in dit boek gestoken heb. Je wordt bedankt.

Zoals zo vaak hoorde ik de raakste opmerking het dichtst bij huis. Het was mijn vrouw die me gisteren zei, toen we nog even napraatten over de persconferentie van de minister-president: Ik zou een hele lange winterslaap willen houden. En dan wakker worden en weten dat het allemaal een boze droom is geweest.

Natuurlijk weten we beter. We beseffen echt wel dat jij niet weggaat door onze ogen heel lang dicht, en daarna weer open te doen. We zullen ook niet op korte termijn immuniteit verkrijgen, we kunnen hoogstens de benodigde weerstand opbrengen voor deze crisis en die van economie, politiek en natuur die er nog op gaan volgen.

Mijn eerste reactie gisteren was net zo min als toen de lockdown zeven maanden geleden van start ging, de fraaiste. Ik dacht eerst en vooral aan mezelf.  In maart baalde ik van de opdrachten die ik zag verdampen, de optredens die werden afgelast, dat De wereld omgekeerd niet gepresenteerd kon worden, en er ook nauwelijks aandacht in de media voor was aangezien alle ogen op ‘het virus’ werden gericht. Op jou, met andere woorden, jij onverdraaglijke aandachtstrekker en drama queen. Dus zeg nou niet dat je me niet begrijpt, in mijn vlaag van zelfvergroting en zelfmedelijden.

Zo zie ik nu dit najaar het voorjaar zich herhalen: opnieuw worden optredens afgelast waar ik alsnog over mijn boek kon praten. Openbare interviews, het hele Brainwash-festival. Soms verbeeld ik me – in een aanval van narcisme – dat  God, de duivel of het virus, jij dus, hoogstpersoonlijk samenspannen om mijn boek voor eens en altijd een voetnootje in de geschiedenis te laten blijven. Yeah right, like they do care…

En dan realiseer ik me dat ik maar beter in de praktijk kan brengen wat ikzelf preek: “We moeten onder ogen zien dat dit crisiscomplex het nieuwe normaal is en dienen vervolgens boven onszelf uit te stijgen.” Dit betekent niet kritiekloos volgen wat ‘de autoriteiten’ ons uitleggen en opdragen. Het is prima om kanttekeningen te zetten bij een ethos dat koste wat kost levens wil behouden en verlengen, vanuit de onwil of het onvermogen om de dood te aanvaarden als deel van het leven. De vraag is wél of je ook een dergelijke onthechting oog in oog met ‘de dood’ ook kunt opbrengen wanneer het je eigen leven betreft, of dat van je geliefden, mocht je jou – het virus – aan den lijve hebben leren kennen.

Het is ook uiterst legitiem en zelfs noodzakelijk om de enorme kosten van de huidige beperkingen in kaart te willen brengen: of dit nu de economische pijn betreft die we onszelf aandoen en die onevenredig hard aankomt bij de vele miljoenen kwetsbaren in de Derde Wereld of bij zzp’ers, cultuurwerkers en horeca-mensen in ons eigen Nederland; de eenzaamheid en ‘huidhonger’ die we vrijwel allemaal ervaren, nu we al weer maandenlang alleen onze eigen gezinsleden mogen aanraken; en de privacy en vrijheid die we aangewakkerd door angst in een oogwenk opgeven, zonder te weten of en wanneer we ze ooit weer zullen bezitten.

Ik vraag me wel eens af wat het voor sommigen op de social media zo makkelijk maakt om maar op een mondkapjesplicht te hameren die – voor zover ik weet – in bijvoorbeeld Frankrijk en Spanje nu ook niet echt het virus een halt heeft weten toe te roepen. Voelen zij niet de ontmenselijking door het stukje stof dat het ons onmogelijk maakt elkaar vrijuit en voluit aan te kijken of te laten zien? Lijden zij aan een vorm van catastrofilie, een diep gevoel verlangen om onszelf en vooral anderen zo heftig mogelijk de duimschroeven aan te draaien, een heerlijke roes van rampdenken waardoor ze het gevoel krijgen dat ze pas echt leven waar ze tot nog toe vooral hadden gevegeteerd? Zijn ze jou, virus, eigenlijk dankbaarder dan ze zouden willen toegeven, waar ik vooral de pest aan je heb?

Nee, dat zal het niet zijn. Ze zijn vast – net als ik – bang voor je. Bezorgd om zichzelf en elkaar. En ze willen een bijdrage leveren aan de oplossing van deze crisis die ernstiger lijkt dan alles wat de meesten van ons tot nog toe in hun leven hebben meegemaakt. Misschien is het zo dat we overal ter wereld maar wat doen – of het nu de ‘strenge’ aanpak van de een is, dan wel de losse van de ander – en dat we onszelf slechts wijs maken dat we enige controle kunnen uitoefenen op die kroonvormige etterbak die jij bent: grillig, machtig en willekeurig als weinig anderen.

Maar dan nog moeten we het op zijn minst proberen, beste virus. Dus zal ik met frisse tegenzin mijn masker dragen. Schuif ik voor de zoveelste keer aan voor mijn scherm waar ik zoveel liever met anderen fysiek in een ruimte had verkeerd. En probeer ik als het filosoofje dat ik ben een bijdrage te leveren aan degenen die met hun vitale beroep aan de frontlijn staan waar ze jou bevechten. Dan maar vergeten wat dit jaar voor mij had moeten worden. In de wetenschap dat er miljoenen mensen zijn die veel slechter af zijn dan ikzelf, dat mijn gezin goddank gezond is en dat het er niet toe doet hoeveel ik krijg maar wat ik geef. Dank je virus, voor deze les die je me eens te meer hebt ingepeperd. En als je nog eens een boodschap voor me hebt, schrijf me dan vooral snel terug.

I know the one thing we did right. Was the day we started to fight. Keep your eyes on the prize. Hold on. Hold on. Ik moet negentien zijn geweest, twintig misschien, toen ik deze woorden voor het eerst hoorde. Het was mijn eerste jaar op de School voor Journalistiek, en mijn docente Engels plaatste een videoband in de recorder. Het was de documentaire ‘Eyes on the Prize’, over de geschiedenis van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Over hoe Rosa Parks eind 1955 in de bus weigerde op te staan voor een blanke, zoals van haar als zwarte vrouw werd verwacht. Wat vervolgens tot een bus-boycot in Montgomery leidde, met Martin Luther King als leider en na ruim een jaar het gewenste resultaat: opheffing van rassendiscriminatie in het openbaar vervoer van de stad. De jaren erna, met bijvoorbeeld de mars op Washington in 1963, en King’s I Have a Dream. De moord – anno 1964 – in Mississippi op drie jonge burgerrechtenactivisten, de zwarte James Chaney en de blanke (en Joodse) Michael Schwerner en Andrew Goodman. De geweldloze demonstraties tegen de discriminatie van zwarte stemmers in Selma, met een hoofdrol voor de jonge studentenleider John Lewis, later jarenlang afgevaardigde in Washington en onlangs overleden. Eyes on the Prize maakte destijds – in 1986 of 1987 – mijn betrokkenheid wakker met de strijd van zwart en blank voor de gelijkheid van zwart en blank.

 

‘Ik hou van spruitjes. Mag dat?’

Het was diezelfde betrokkenheid die me in 1992 inspireerde om mee te doen aan de grootste demonstratie die Nederland ooit heeft gekend tegen racisme, in 1992 op het Museumplein: 50.000 (politie) tot 100.000 mensen (organisatie). Weer een paar jaar later kreeg ik de kans om zelf mee te organiseren. Ik coördineerde het inhoudelijke programma van de manifestatie die Nederland Bekent Kleur organiseerde in Amsterdam-Zuidoost. In mijn dagboek beschreef ik mijn motivatie én mijn missie voor die dag: “Ik besef wat ik vaak vergeet: hoe vijandig veel mensen in Nederland tegenover ‘vreemdelingen’ staan. Die mensen – al is het er maar één – bereiken zonder met ze mee te huilen: dat is mijn eigen utopie voor aanstaande zaterdag.” Het werd een mooie manifestatie. Ruim 10.000 mensen uitten hun geloof in raciale gelijkheid en hun afkeer van discriminatie. Ik zal nooit vergeten hoe de dag eindigde. Even voor ik rond tien uur ’s avonds het veld in Zuidoost verliet, zag ik de laatste bezoeker weggaan: een gekleurde man die uren had staan dansen en drinken, enorme laarzen aan zijn voeten en een fez op zijn hoofd. Met een halflege fles sterke drank in zijn hand zwalkte hij weg. Opgewekt riep hij: “Ik hou van spruitjes. Mag dat?

 

I can’t breathe in tijden van corona

En toen was het 25 mei 2020, en moesten we opnieuw kleur bekennen. In Minneapolis doodde de blanke politieagent Derek Chauvin de zwarte George Floyd. Bijna negen minuten lang drukte Chauvin zijn knie op de keel van de man die hij gearresteerd had. De beelden blijven pijnlijk, hoe vaak je ze ook bekijkt, zeker als je het I can’t breathe van Floyd hoort. Zou het toeval zijn dat de aanblik van iemand die geen adem kan halen, juist in deze tijd zo schokkend is, een tijd waarin een virus dat je de adem beneemt, alom aanwezig is; en zo niet het virus zelf, dan wel de angst ervoor? En ligt het niet voor de hand dat juist in een wereld waarin we ons allemaal wel onderdrukt voelen, door lockdowns, anderhalvemeter-beperkingen en mondkapjes, de woede extra groot wordt – bij zwart én blank – wanneer je wordt geconfronteerd met het zoveelste staaltje onderdrukking na honderden jaren slavernij, segregatie en discriminatie?

Dit laatste althans suggereerde de Surinaams-Nederlandse Jennifer Campbell in een gesprek dat we vorige maand hadden: een gesprek dat er op haar initiatief kwam nadat ik op deze site mijn hartenkreet ‘Ik ben niet je witte’ had gepubliceerd. Campbell is expert in verandering en systemisch leiderschap (onderwerpen die vandaag de dag relevanter lijken dan ooit). Ze wilde met me van gedachten wisselen over wat zij ‘systemisch racisme’ noemt, en daarover – plus onze eigen posities als ‘zwarte’ of ‘witte’ ­­– hadden we het ook, in een gesprek vol herkenning en soms verrassing, met humor maar ook met besef van de pijn, kwetsbaarheid en gekwetstheid die het onderwerp eigen zijn.

 

Selectieve verontwaardiging en weinig historisch besef

Terwijl Jennifer en ik het op heel veel vlakken eens waren, zie ik ook de enorme polarisatie. Sterker nog: ik sta er middenin en lever er een bijdrage aan. Hoezeer ik namelijk ook zelf door de dood van George Floyd was geraakt, en hoezeer ik me ook deelnemer voel aan een historische estafette van verzet tegen racisme, telkens wanneer en overal waar dit zich aandient: als ik naar de meeste demonstraties van Black Lives Matter keek, zag ik vooral selectieve verontwaardiging (wel over blank politiegeweld, niet over het veel massaler geweld van black on black, door met name gang violence); omgekeerd racisme, tegenover ‘witten’ die per definitie bevoorrecht zouden zijn en namens ‘mensen van kleur’ die als enigen zouden weten wat onderdrukking is; en ik zag een fixatie op de ‘juiste’ woorden, inclusief grote of juist kleine letters (wel Zwart, niet wit) terwijl we naar mijn idee vooral daden moeten loslaten op de grote crises van deze tijd: corona, economische depressie, en de oververhitting van onze planeet. Ik hoorde kortom heel veel Malcolm-X, Elijah Muhammad en Stokely Carmichael; en heel weinig Martin Luther King of Rosa Parks, om het maar weer even te zeggen in de termen van Eyes on the Prize.

En, dat ook, ik miste gevoel voor verhoudingen en ik miste historisch besef. Zie bijvoorbeeld ook toen in datzelfde Zuidoost waar we 25 jaar geleden ruim 10.000 mensen bijeenbrachten, de volgende woorden klonken: “Nooit eerder zijn zoveel mensen de straat opgegaan om te demonstreren tegen anti-zwart racisme. Wij zijn deze dagen geschiedenis aan het schrijven.” O ja? Ik vertelde daarnet al over de hoeveelheden mensen die in ’92 en ’95 demonstreerden tegen racisme, niet alleen tegen ‘anti-zwart racisme’ overigens. Wat zegt het over een beweging als ze haar klassiekers niet kent, wanneer ze de eigen prestaties witwast en die van eerdere generaties uitwist? Moet hier de mythe aan de man worden gebracht dat Nederland tot 2020 een racistisch land was, waar niemand opkwam voor de rechten van ‘mensen van kleur’? Zou het niet eerlijker zijn te erkennen dat al heel lang bruine én  blanke Nederlanders raciaal onrecht herkennen én bestrijden, ook vóór een nieuwe generatie activisten bedacht dat Zwarte Piet het doelwit moest zijn, evenals ‘wit privilege’?

 

De ene keer als tragedie, de andere keer als grap

Het werd nog erger toen de golf van woede over de dood van Floyd naadloos overging in een golf van repressie, in de slechtste traditie van cancel culture: standbeelden die werden beklad, journalisten en docenten die hun baan verloren of daarmee bedreigd werden, humor die niet meer zou ‘kunnen’. Mijn oude oom Karel mocht altijd graag opmerken dat alle wereldhistorische feiten en personen tweemaal plaatsvinden: de ene keer als tragedie, de andere keer als grap. Oordeel zelf maar tot welke van de twee de typisch Nederlandse wijze behoort waarop de ‘antiracistische’ repressie zich hier voordeed: met de fittie tussen Johan Derksen en Akwasi Owusu Ansah, gevolgd door het van de tv verbannen van die eerste en de demonisering van allebei; met een anonieme kliklijn voor journalisten om hun ‘institutioneel racistische’ collega’s aan te geven; of met een lijst van ‘prominenten’ tegen zulke cancel culture, waarbij zangeres Marga Bult prijkte naast (over kliklijnen gesproken) Thierry Baudet. Nee, dan Amerika, waar het gerechtvaardigde verzet tegen verstikkende ‘goedmensen’ wordt aangevoerd door mensen als Thomas ‘Ex-Black’ Chatterton Williams, Noam Chomsky, Salman Rushdie en Margaret Atwood, stuk voor stuk intellectuelen met een stevige staat van dienst als het om verzet gaat tegen onrecht in het algemeen en racisme in het bijzonder.

 

Talking to Strangers

Wat ik in mijn eigen omgeving heb meegemaakt: de vervreemding tussen vrienden, gevoed door het geschreeuw op (niet zo) sociale media. Het ineens niet meer rustig en respectvol naar elkaar kunnen luisteren, het aanvallen en je aangevallen voelen, het idee dat je alleen door je kleur al tot een bepaald kamp mag worden gerekend, wat je karakter ook moge zijn. In 2004 publiceerde de Amerikaanse politiek filosofe Danielle Allen Talking to Strangers. Ze betoogt hierin dat wanneer burgers elkaar te veel gaan wantrouwen, dit de democratie zal aantasten. Vrienden worden vreemden voor elkaar, en vreemden lijken ineens ‘vijanden’. Samenwerking wordt dan alsmaar lastiger, polarisatie en zelfs geweld liggen op de loer. Wat Allen zestien jaar geleden beschreef, is in de jaren erna in haar eigen Amerika steeds vaker realiteit gebleken. Democraten en Republikeinen, links en rechts en vaak ook blank en bruin staan er lijnrecht tegenover elkaar, praten over maar zelden met elkaar, tenzij je – ‘live’ of via social media – schreeuwen ook als spreken ziet.

Het alternatief, volgens de auteur van Talking to Strangers: praat met mensen die je vreemd zijn, en in het bijzonder diegenen van wie je zo vervreemd bent geraakt dat je ze ‘vijanden’ noemt. De beste manier om anderen duidelijk te maken dat ze je vertrouwen kunnen, is je betrouwbaar tonen. Hetgeen in de regel niet zozeer met woorden, als wel met daden lukt. Allen: “But in order to prove oneself trustworthy, one has to know why one is distrusted. The politics of friendship requires of citizens a capacity to attend to the dark side of the democratic soul.” Het begint dus allemaal met luisteren, naar de verhalen van anderen. Maar – en dit besef mis ik bij Black Lives Matter – daarbij heeft niemand het alleenrecht om te spreken en kan ook niemand worden opgelegd dat hij louter en bij voorbaat schuldbewust moet luisteren. We hebben allemaal ervaringen met kwetsen en gekwetst worden: en juist dit gedeelde lot zou ons tot medemenselijkheid kunnen brengen. Een prachtig voorbeeld daarvan is het verhaal van Elizabeth Eckford en Hazel Bryan. In 1957 troffen ze elkaar als tegenstanders, of zelfs vijanden, in Little Rock. De zwarte Eckford demonstreerde daar voor het recht op goed onderwijs, de blanke Bryan schold haar met een van haat vertrokken gezicht uit. De foto van de confrontatie tussen beiden werd iconisch. Maar jaren later zocht Hazel Bryan Elizabeth Eckford op, en bood haar excuses aan. De twee werden uiteindelijk goede vriendinnen.

Nu is het mijn zorg of wij in Nederland en daarbuiten bereid zijn als gelijken het gesprek aan te gaan; en vervolgens, dat is het belangrijkste, of we in staat zijn om de samenleving die we delen overeind te houden; in de moeilijke tijden die we beleven en de nog moeilijker tijden die komen gaan. De beste manier om dat te doen, heb ik ooit geleerd van die tv-serie die me de wereld van Parks en King in trok, is een gezamenlijk gevecht voor de goede zaak. Keep your eyes on the prize.

Stel je voor: iemand scheldt je uit of geeft je een klap. Voor de meesten van ons is de eerste reflex om terug te schelden of te slaan. We reageren vaak met negativiteit op wat we als negativiteit ervaren. Ikzelf vorm daarop geen uitzondering, integendeel. Hoe vaak ik me niet gekwetst heb gevoeld en heb geprobeerd te kwetsen, hoe vaak ik niet woedend ben geworden en vanuit woede heb gereageerd. En zelden bracht het me verder. Meestal bleven er minstens twee partijen gewond achter en losten we ons probleem niet op.

 

Het kwaad in Jaap van Dissel

Ook de voorbije maanden heb ik me niet onbetuigd gelaten als het erom ging ‘kwaad’ met ‘kwaad’ te beantwoorden. Schrijvend over de coronacrisis heb ik kwaadaardigheid gelokaliseerd in – of all people – Jaap van Dissel en Eric Wiebes, vanuit mijn oprechte zorg over een anderhalvemetersamenleving die misschien op korte termijn nodig is maar ons op lange termijn van onze vrijheid en intimiteit berooft. In het debat over racisme heb ik stelling genomen tegen antiracisten die in mijn ogen verdelen in plaats van te verbinden; maar door de stevige wijze waarop ik stelling nam, heb ik niet alleen troost en inzicht geboden aan sommigen; maar ook anderen gekwetst en van me vervreemd; en heb ik zo al met al bijgedragen aan de verdeeldheid onder ons allen samen.

 

Pick your fights

Deze tijd – met zijn wirwar van met elkaar verbonden crises – vraagt om eenheid en verbinding. Dat is de enige manier waarop we corona, economische depressie, politieke explosiviteit en de klimaatcrisis tegemoet kunnen treden met enige kans op succes. Ofwel we werken en vechten samen, ofwel we gaan samen ten onder. Natuurlijk betekent dit niet dat we het overal over eens moeten raken of dat we volmaakte mensen zijn of zullen worden. Het betekent wel: pick your fights. In mijn ogen is dat dus vaststellen wat voor ons overleven en voor ons met liefde leven cruciaal is, en wat in dat licht triviaal is.

 

Kwaad én goed herkennen

Ik ga voor een economie van het genoeg – genoeg voor degenen die nu te weinig hebben en genoeg voor de natuur. Ik ga voor een democratie die liberaal is zonder elitair te zijn, en die naar massaal draagvlak zoekt uit principe maar ook omdat dit de enige manier is om de crises op te lossen die ons bedreigen. Ik ga voor de samenwerking van mensen die gerust mogen verschillen qua kleur, religie, sekse en seksuele of politieke voorkeur. En, dat is mijn filosofische basis: ik ga voor het goede zonder het kwade te ontkennen – in mezelf en in anderen. De kunst is – dit vormt ook de grondgedachte van mijn laatste boek, ‘De Wereld Omgekeerd’ – om in alles wat je ‘kwaad’ kunt noemen omdat het afdoet aan welzijn, het ‘goede’ te herkennen: de maar al te menselijke en begrijpelijke motivatie. En vervolgens is de hogere kunst, de kunst van het doen, om deze ‘goede’ behoefte achter het ‘slechte’ gedrag een betere uitweg te gunnen.

 

Vragen, antwoorden, oplossingen vooral

Dit betekent voor mij bijvoorbeeld dat ik in mijn eigen woede iets onderscheid wat je rechtvaardigheidsgevoel kunt noemen. En dat ik vervolgens onrecht probeer recht te zetten met kalmte, voorbij de kwaadheid die me tot actie aanzette. Het betekent dat ik zie hoe hebzucht en vraatzucht onze samenleving domineren, de natuur kapotmaken en de mensen tegen elkaar uitspelen; het betekent ook dat ik het overlevingsinstinct zie dat erachter schuilt, de gerechtvaardigde behoefte aan genot ook, en dat ik op deze verlangens betere antwoorden probeer te vinden dan overconsumptie en onderwaardering van wat werkelijk belangrijk is. Het betekent bovendien dat ik afzie van mijn eigen geneigdheid om aan te vallen als ik me aangevallen voel. Of beter gezegd: dat ik – als het echt nodig is – aanval met andere en betere wapens. Niet met belediging of onnodige krenking, niet met arrogantie of afzeiken, maar met vragen en antwoorden, oplossingen vooral. Dit is wat Gandhi, Mandela en Martin Luther King ons hebben meegegeven met hun denken maar vooral met hun leven: dat het kwaad bestaat en dat je het hebt te bestrijden, maar dat je daarbij wel het kwaad in jezelf van je af dient te schudden en dat je het goede in de ander blijft trachten te vinden. Ik zal dit in mijn eigen Madurodam ook proberen te doen: in mijn colleges en in mijn talks, op mijn site en op mijn socials. Daar sta ik voor, daar mag je me aan houden.

Photo by Lina Trochez on Unsplash