Hoe langer het virus rondwaart en hoe langer de lockdown duurt, hoe meer ik erachter kom dat de pandemie niet de werkelijke plaag is van deze tijd. Ik bedoel niet eens zozeer dat het meest schadelijke virus voor de planeet de mens is, met alle vernietiging die wij, al exponentieel groeiende, loslaten op de rest van de natuur. Wij hebben niet te maken met een virus… we zijn een virus. Maar dat heb ik al eens eerder gemeld, en ik ben bepaald niet de enige.

 

Hey, what’s that sound?

Hier wil ik iets anders kwijt. En wel dat me steeds vaker opvalt hoeveel verbetenheid, verkramping, ja… extremisme er in de lucht hangt. Of, laten we nu even afstappen van de virusmetafoor: in wat zoveel mensen doen en laten, zeggen en schrijven, aangeven en uitdrukken. Het doet me denken aan wat Stephen Stills 55 jaar geleden schreef in For What It’s Worth: “There’s something happening here. But what it is ain’t exactly clear. (…) It’s time we stop. Hey, what’s that sound? Everybody look, what’s going down?”

Het kwartje viel bij mij pas echt toen een cursist van de Jaaropleiding waarin ik les geef, vertelde over het Klimaatalarm waaraan zij de zondag ervoor had deelgenomen. Daar stond ze dan, met enkele honderden anderen in het Westerpark. Wat haar was opgevallen, zei ze, was dat iedereen alles en iedereen filmde, en dat de deelnemers allemaal zo op hun hoede leken. Mijn conclusie – want ik had wat zij beschreef ook al eerder opgemerkt in de protesten tegen de coronamaatregelen: angst en wantrouwen regeren, ook – of juist – bij degenen die daadwerkelijk de straat opgaan tegen wat zij als een nachtmerrie ervaren en voor wat hen als een droom bezielt.

 

De plaag die plagen veroorzaakt

Hoe kan het ook anders? We leven nu al ruim een jaar tussen een beetje hoop en vooral veel vrees. Angst dat we besmetten of besmet raken. Angst dat we onze vrijheden kwijt raken. Angst dat we onze welvaart verliezen. We voelen niet meer de intimiteit met onze vaders en moeders, onze zussen en broers, onze beste vrienden en vriendinnen. En zeg nou niet dat Zoom zoveel goed maakt: Internet is nothing but a poor excuse. Het is ook internet waar mensen elkaar voor rotte vis uitmaken: omdat De Ander ‘wit’ is (of juist ‘zwart’), wel of niet LHBTXYZ, moslim of islamofoob, het virus ontkennen of juist voor eigen gewin manipuleren zou. En misschien ben ik een tikje overgevoelig, maar dat we elkaars glimlach slechts met de grootst mogelijke moeite ontwarren voorbij dat mondkapje, helpt ook niet echt. Hoe scheef Stills het ook alweer? “Paranoia strikes deep. Into your life it will creep. It starts when you’re always afraid.”

Ik stel me zo voor dat dit ook was wat eerder de pest en de Spaanse griep teweeg brachten: Plaag zijn en daarmee andere plagen veroorzaken. Als een pandemie namelijk iets doet, is het wel de kwetsbaarheid en onzekerheid blootleggen die er altijd al waren maar die we zo graag wegdenken en -wensen. En in die situatie is het een kleine stap naar fictieve zekerheden en maar al te reële woede en wrok tegenover wie zich aandient als zondebok. Die combinatie van fundamentalistische frustratie en fictie is levensgevaarlijk. Niet alleen omdat mensen in zulke omstandigheden vooral elkaar te lijf gaan. Maar ook omdat we zo geen aandacht meer hebben voor de gezamenlijke actie die nodig is oog in oog met maar al te reële problemen: het kroonvormig virus waarmee het vorig jaar begon, de klimaatcrisis waarvoor dit nog maar de generale repetitie is, en de woedepolitiek die dreigt als we de onvermijdelijke kosten van  het virus en de klimaatcrisis niet eerlijk verdelen.

 

I can’t breathe!

Het kan geen toeval zijn dat Black Lives Matter vorig jaar ontvlamde op een moment dat het virus miljoenen mensen de adem benam: met de videobeelden van een man die herhaaldelijk I can’t breathe! riep en uiteindelijk stierf toen hij echt geen lucht meer kreeg. Wat begon als een volkomen terechte uiting van woede over de zoveelste dood van een zwarte Amerikaan door politiegeweld, werd al snel een tragikomische exercitie in extremisme. Een op één hoop vegen van alle mogelijke manieren waarop ‘mensen van kleur’ door ‘systemisch racisme’ zouden worden gekleineerd, met daarbij de suggestie – of zelfs openlijke stelling – dat ieder die ‘wit’ is vol voorrechten leeft en dat wie niet ‘wit’ is, tegenwoordig in het Westen slechter af zou zijn dan wie waar en wanneer ook ter wereld (een interessant perspectief voor de ‘witte’ Joodse slachtoffers van de Holocaust, én voor degenen die ooit leden onder de Zuid-Afrikaanse Apartheid, of onder lynching mobs in Alabama of Mississippi). En daarna een golf van onverdraagzaamheid en kleinzielig gesleutel aan de verkeerde of juiste woorden, het cancellen van wie niet de juiste kleur bezit of de toegestane taal gebruikt, met als meest recente dieptepunt het aanwijzen van sensitivity readers die als de grootinquisiteurs van deze tijd klassieke werken te lijf gaan als Dante’s Divina Commedia. Je zou ze een eeuwigdurend verblijf toewensen binnenin een brandende grafkist in de zesde kring van de hel… ware het niet dat je betere engelen je hier net op tijd voor behoeden, als beschaafd mens.

 

Extremisme, met mate

“Extremisme vind ik prima, maar met mate,” zei Theo Maassen ooit. Dat lijkt een ongerijmdheid, maar is een paradox. Juist wie tot het uiterste voor haar of zijn idealen gaat, dient namelijk steeds koele relativering op diezelfde idealen los te laten, en heeft vooral oog voor de menselijke maat: ons onvermogen om absoluut geluk te realiseren, ons aanmodderen, ons betrekkelijke gelijk, alles dus wat menselijk is, maar al te menselijk. Extremisme is idealisme waar geen maat op staat, dat bijvoorbeeld totale vrijheid nastreeft in een tijd waarin een dergelijke vrijheid helaas bijzonder besmettelijk is; of dat juist volledige opsluiting wenst waar een dergelijk ophokken wellicht het virus zou stoppen, maar het ook onze welvaart en ons levensgeluk vakkundig vernietigt. Extremisme is ieder die een bepaalde kleur heeft eerst en vooral op die kleur beoordelen en liever nog veroordelen; het is jezelf moreel superieur verheven achten boven degenen die ‘het’ nog niet begrepen hebben; het is ‘zwart-wit’ mensen in groepen proppen terwijl ze individuen zijn, met voorrechten en tegenslagen, met verdiensten en tekorten, maar bovenal met een kleurenrijkdom die alle kortzichtigheid tart.

Voor dit extremisme, deze verbetenheid en verkramping, is er een alternatief. Het wordt ons aangereikt door een man die in zijn tijd  te dealen had met zowel de onverdraagzaamheid van blanke als van zwarte racisten. Op 16 april 1963 schreef hij een open brief vanuit de cel in Birmingham, Alabama, waar Martin Luther King beland was door zijn burgerlijke ongehoorzaamheid tegen een toendertijd onmiskenbaar racistische overheid. De brief was een antwoord op degenen die zijn activisme bekritiseerden, en is bekend geworden als de Letter from Birmingham Jail. Hierin merkte King onder meer op: “De vraag is niet of we extremist zullen zijn, maar wat voor extremist we zullen zijn. Zullen we extremisten zijn voor haat, of zullen we extremisten zijn voor liefde?” Voor die keuze staan we ook vandaag, oog in oog met een plaag.

 

 

 

 

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *