I know the one thing we did right. Was the day we started to fight. Keep your eyes on the prize. Hold on. Hold on. Ik moet negentien zijn geweest, twintig misschien, toen ik deze woorden voor het eerst hoorde. Het was mijn eerste jaar op de School voor Journalistiek, en mijn docente Engels plaatste een videoband in de recorder. Het was de documentaire ‘Eyes on the Prize’, over de geschiedenis van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Over hoe Rosa Parks eind 1955 in de bus weigerde op te staan voor een blanke, zoals van haar als zwarte vrouw werd verwacht. Wat vervolgens tot een bus-boycot in Montgomery leidde, met Martin Luther King als leider en na ruim een jaar het gewenste resultaat: opheffing van rassendiscriminatie in het openbaar vervoer van de stad. De jaren erna, met bijvoorbeeld de mars op Washington in 1963, en King’s I Have a Dream. De moord – anno 1964 – in Mississippi op drie jonge burgerrechtenactivisten, de zwarte James Chaney en de blanke (en Joodse) Michael Schwerner en Andrew Goodman. De geweldloze demonstraties tegen de discriminatie van zwarte stemmers in Selma, met een hoofdrol voor de jonge studentenleider John Lewis, later jarenlang afgevaardigde in Washington en onlangs overleden. Eyes on the Prize maakte destijds – in 1986 of 1987 – mijn betrokkenheid wakker met de strijd van zwart en blank voor de gelijkheid van zwart en blank.

 

‘Ik hou van spruitjes. Mag dat?’

Het was diezelfde betrokkenheid die me in 1992 inspireerde om mee te doen aan de grootste demonstratie die Nederland ooit heeft gekend tegen racisme, in 1992 op het Museumplein: 50.000 (politie) tot 100.000 mensen (organisatie). Weer een paar jaar later kreeg ik de kans om zelf mee te organiseren. Ik coördineerde het inhoudelijke programma van de manifestatie die Nederland Bekent Kleur organiseerde in Amsterdam-Zuidoost. In mijn dagboek beschreef ik mijn motivatie én mijn missie voor die dag: “Ik besef wat ik vaak vergeet: hoe vijandig veel mensen in Nederland tegenover ‘vreemdelingen’ staan. Die mensen – al is het er maar één – bereiken zonder met ze mee te huilen: dat is mijn eigen utopie voor aanstaande zaterdag.” Het werd een mooie manifestatie. Ruim 10.000 mensen uitten hun geloof in raciale gelijkheid en hun afkeer van discriminatie. Ik zal nooit vergeten hoe de dag eindigde. Even voor ik rond tien uur ’s avonds het veld in Zuidoost verliet, zag ik de laatste bezoeker weggaan: een gekleurde man die uren had staan dansen en drinken, enorme laarzen aan zijn voeten en een fez op zijn hoofd. Met een halflege fles sterke drank in zijn hand zwalkte hij weg. Opgewekt riep hij: “Ik hou van spruitjes. Mag dat?

 

I can’t breathe in tijden van corona

En toen was het 25 mei 2020, en moesten we opnieuw kleur bekennen. In Minneapolis doodde de blanke politieagent Derek Chauvin de zwarte George Floyd. Bijna negen minuten lang drukte Chauvin zijn knie op de keel van de man die hij gearresteerd had. De beelden blijven pijnlijk, hoe vaak je ze ook bekijkt, zeker als je het I can’t breathe van Floyd hoort. Zou het toeval zijn dat de aanblik van iemand die geen adem kan halen, juist in deze tijd zo schokkend is, een tijd waarin een virus dat je de adem beneemt, alom aanwezig is; en zo niet het virus zelf, dan wel de angst ervoor? En ligt het niet voor de hand dat juist in een wereld waarin we ons allemaal wel onderdrukt voelen, door lockdowns, anderhalvemeter-beperkingen en mondkapjes, de woede extra groot wordt – bij zwart én blank – wanneer je wordt geconfronteerd met het zoveelste staaltje onderdrukking na honderden jaren slavernij, segregatie en discriminatie?

Dit laatste althans suggereerde de Surinaams-Nederlandse Jennifer Campbell in een gesprek dat we vorige maand hadden: een gesprek dat er op haar initiatief kwam nadat ik op deze site mijn hartenkreet ‘Ik ben niet je witte’ had gepubliceerd. Campbell is expert in verandering en systemisch leiderschap (onderwerpen die vandaag de dag relevanter lijken dan ooit). Ze wilde met me van gedachten wisselen over wat zij ‘systemisch racisme’ noemt, en daarover – plus onze eigen posities als ‘zwarte’ of ‘witte’ ­­– hadden we het ook, in een gesprek vol herkenning en soms verrassing, met humor maar ook met besef van de pijn, kwetsbaarheid en gekwetstheid die het onderwerp eigen zijn.

 

Selectieve verontwaardiging en weinig historisch besef

Terwijl Jennifer en ik het op heel veel vlakken eens waren, zie ik ook de enorme polarisatie. Sterker nog: ik sta er middenin en lever er een bijdrage aan. Hoezeer ik namelijk ook zelf door de dood van George Floyd was geraakt, en hoezeer ik me ook deelnemer voel aan een historische estafette van verzet tegen racisme, telkens wanneer en overal waar dit zich aandient: als ik naar de meeste demonstraties van Black Lives Matter keek, zag ik vooral selectieve verontwaardiging (wel over blank politiegeweld, niet over het veel massaler geweld van black on black, door met name gang violence); omgekeerd racisme, tegenover ‘witten’ die per definitie bevoorrecht zouden zijn en namens ‘mensen van kleur’ die als enigen zouden weten wat onderdrukking is; en ik zag een fixatie op de ‘juiste’ woorden, inclusief grote of juist kleine letters (wel Zwart, niet wit) terwijl we naar mijn idee vooral daden moeten loslaten op de grote crises van deze tijd: corona, economische depressie, en de oververhitting van onze planeet. Ik hoorde kortom heel veel Malcolm-X, Elijah Muhammad en Stokely Carmichael; en heel weinig Martin Luther King of Rosa Parks, om het maar weer even te zeggen in de termen van Eyes on the Prize.

En, dat ook, ik miste gevoel voor verhoudingen en ik miste historisch besef. Zie bijvoorbeeld ook toen in datzelfde Zuidoost waar we 25 jaar geleden ruim 10.000 mensen bijeenbrachten, de volgende woorden klonken: “Nooit eerder zijn zoveel mensen de straat opgegaan om te demonstreren tegen anti-zwart racisme. Wij zijn deze dagen geschiedenis aan het schrijven.” O ja? Ik vertelde daarnet al over de hoeveelheden mensen die in ’92 en ’95 demonstreerden tegen racisme, niet alleen tegen ‘anti-zwart racisme’ overigens. Wat zegt het over een beweging als ze haar klassiekers niet kent, wanneer ze de eigen prestaties witwast en die van eerdere generaties uitwist? Moet hier de mythe aan de man worden gebracht dat Nederland tot 2020 een racistisch land was, waar niemand opkwam voor de rechten van ‘mensen van kleur’? Zou het niet eerlijker zijn te erkennen dat al heel lang bruine én  blanke Nederlanders raciaal onrecht herkennen én bestrijden, ook vóór een nieuwe generatie activisten bedacht dat Zwarte Piet het doelwit moest zijn, evenals ‘wit privilege’?

 

De ene keer als tragedie, de andere keer als grap

Het werd nog erger toen de golf van woede over de dood van Floyd naadloos overging in een golf van repressie, in de slechtste traditie van cancel culture: standbeelden die werden beklad, journalisten en docenten die hun baan verloren of daarmee bedreigd werden, humor die niet meer zou ‘kunnen’. Mijn oude oom Karel mocht altijd graag opmerken dat alle wereldhistorische feiten en personen tweemaal plaatsvinden: de ene keer als tragedie, de andere keer als grap. Oordeel zelf maar tot welke van de twee de typisch Nederlandse wijze behoort waarop de ‘antiracistische’ repressie zich hier voordeed: met de fittie tussen Johan Derksen en Akwasi Owusu Ansah, gevolgd door het van de tv verbannen van die eerste en de demonisering van allebei; met een anonieme kliklijn voor journalisten om hun ‘institutioneel racistische’ collega’s aan te geven; of met een lijst van ‘prominenten’ tegen zulke cancel culture, waarbij zangeres Marga Bult prijkte naast (over kliklijnen gesproken) Thierry Baudet. Nee, dan Amerika, waar het gerechtvaardigde verzet tegen verstikkende ‘goedmensen’ wordt aangevoerd door mensen als Thomas ‘Ex-Black’ Chatterton Williams, Noam Chomsky, Salman Rushdie en Margaret Atwood, stuk voor stuk intellectuelen met een stevige staat van dienst als het om verzet gaat tegen onrecht in het algemeen en racisme in het bijzonder.

 

Talking to Strangers

Wat ik in mijn eigen omgeving heb meegemaakt: de vervreemding tussen vrienden, gevoed door het geschreeuw op (niet zo) sociale media. Het ineens niet meer rustig en respectvol naar elkaar kunnen luisteren, het aanvallen en je aangevallen voelen, het idee dat je alleen door je kleur al tot een bepaald kamp mag worden gerekend, wat je karakter ook moge zijn. In 2004 publiceerde de Amerikaanse politiek filosofe Danielle Allen Talking to Strangers. Ze betoogt hierin dat wanneer burgers elkaar te veel gaan wantrouwen, dit de democratie zal aantasten. Vrienden worden vreemden voor elkaar, en vreemden lijken ineens ‘vijanden’. Samenwerking wordt dan alsmaar lastiger, polarisatie en zelfs geweld liggen op de loer. Wat Allen zestien jaar geleden beschreef, is in de jaren erna in haar eigen Amerika steeds vaker realiteit gebleken. Democraten en Republikeinen, links en rechts en vaak ook blank en bruin staan er lijnrecht tegenover elkaar, praten over maar zelden met elkaar, tenzij je – ‘live’ of via social media – schreeuwen ook als spreken ziet.

Het alternatief, volgens de auteur van Talking to Strangers: praat met mensen die je vreemd zijn, en in het bijzonder diegenen van wie je zo vervreemd bent geraakt dat je ze ‘vijanden’ noemt. De beste manier om anderen duidelijk te maken dat ze je vertrouwen kunnen, is je betrouwbaar tonen. Hetgeen in de regel niet zozeer met woorden, als wel met daden lukt. Allen: “But in order to prove oneself trustworthy, one has to know why one is distrusted. The politics of friendship requires of citizens a capacity to attend to the dark side of the democratic soul.” Het begint dus allemaal met luisteren, naar de verhalen van anderen. Maar – en dit besef mis ik bij Black Lives Matter – daarbij heeft niemand het alleenrecht om te spreken en kan ook niemand worden opgelegd dat hij louter en bij voorbaat schuldbewust moet luisteren. We hebben allemaal ervaringen met kwetsen en gekwetst worden: en juist dit gedeelde lot zou ons tot medemenselijkheid kunnen brengen. Een prachtig voorbeeld daarvan is het verhaal van Elizabeth Eckford en Hazel Bryan. In 1957 troffen ze elkaar als tegenstanders, of zelfs vijanden, in Little Rock. De zwarte Eckford demonstreerde daar voor het recht op goed onderwijs, de blanke Bryan schold haar met een van haat vertrokken gezicht uit. De foto van de confrontatie tussen beiden werd iconisch. Maar jaren later zocht Hazel Bryan Elizabeth Eckford op, en bood haar excuses aan. De twee werden uiteindelijk goede vriendinnen.

Nu is het mijn zorg of wij in Nederland en daarbuiten bereid zijn als gelijken het gesprek aan te gaan; en vervolgens, dat is het belangrijkste, of we in staat zijn om de samenleving die we delen overeind te houden; in de moeilijke tijden die we beleven en de nog moeilijker tijden die komen gaan. De beste manier om dat te doen, heb ik ooit geleerd van die tv-serie die me de wereld van Parks en King in trok, is een gezamenlijk gevecht voor de goede zaak. Keep your eyes on the prize.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *