Berichten

“De dokters zeggen dat deze ziekte in het begin gemakkelijk te genezen en moeilijk te constateren valt, maar dat ze na verloop van tijd – wanneer men haar niet meteen in de beginfase onderkend en behandeld heeft – gemakkelijk te constateren en moeilijk te genezen is.” Ruim 500 jaar geleden schreef Niccolò Machiavelli dit over een andere longziekte, de tering, tegenwoordig beter bekend als tuberculose ofwel tbc. Machiavelli gebruikte deze vergelijking om duidelijk te maken hoe we crises-in-wording vaak negeren, en hoe belangrijk het is ze aan te pakken ver voor ze ons fataal worden.

 

Op naar het terras!

Nu in de meeste landen de lockdown versoepeld wordt, menen nogal wat mensen dat de crisis over is, of dat we in elk geval het ergste gehad hebben. Op naar het terras, het museum en het pretpark, al dan niet voorzien van mondkapje. Maar wie er zo over denkt, onderschat niet alleen de impact van het virus zelf, of van smetvrees op de kwaliteit van ons leven: die kijkt ook weg van het immense economische onheil dat zich nu vooral in arme landen aftekent, een crisis die zowel 1929 als 2008 in de schaduw dreigt te stellen. In lijn met die eerdere crises ligt het politieke gevolg voor de hand: explosieve onvrede, die vakkundig geëxploiteerd gaat worden door populistische handelaars in haat en woede.

Dan is er nog de klimaatcrisis, misschien wel de meest overtuigende bevestiging van Machiavelli’s waarneming over wantoestanden die makkelijk op te lossen zijn als we ze op tijd serieus nemen, en ternauwernood wanneer we ze te lang hebben laten voortwoekeren. De opwarming van de aarde is door corona uit het nieuws verdwenen, maar daarmee nog niet opgelost. En wel des te minder wanneer straks corona- en economische crisis zoveel financiële reserves hebben opgeslokt dat het draagvlak voor resoluut klimaatbeleid uiterst smal zal worden. Al met al is er sprake van een complex van crises die elkaar versterken, en heeft het er alle schijn van dat we niet zozeer de crisis voorbij zijn, als wel ons bevinden in het oog van een orkaan waarvan de coronacrisis nog maar de eerste windvlaag was.

 

Een keten van crises

Om een dergelijke keten van crises tegemoet te treden, is het nodig af te rekenen met een ander ‘complex’: onze eigen neiging grote problemen te ontkennen en hun aanpak voor ons uit te schuiven. Machiavelli geloofde dat slechts een wijze enkeling – zijn ‘heerser’ – met deze gewoonte zou weten te breken. In deze tijd, waarin de meesten van ons oneindig veel beter geïnformeerd en -opgeleid zijn dan men rond 1500 was, kunnen ook ‘gewone’ mensen crises ontwaren voor ze er zelf door getroffen worden. Dat vereist wel dat we niet alleen die grote problemen zelf onder ogen zien, maar hetzelfde doen met onze menselijke zwakte om ervan weg te kijken. Misschien wordt dit wat makkelijker wanneer we ons realiseren dat er goede redenen zijn voor het ‘slechte’ gedrag (van het wegkijken): we stellen prijs op onze rust, willen ons veilig voelen en relativeren graag.

In veel omstandigheden is dit helemaal gerechtvaardigd, en wel zo goed voor onze gezondheid bovendien. Er dient zich echter een probleem aan wanneer daadwerkelijk gevaar dreigt. Dan kan onze behoefte aan rust ons ertoe brengen de dreiging kleiner te maken dan ze daadwerkelijk is. In ons hoofd althans, want in realiteit blijft ze aanwezig en wordt ze zelfs groter omdat we haar niet met actie tegemoet treden. We zouden ook een andere beweging kunnen maken, waarbij we de goede redenen voor het slechte (want ontwijkende) gedrag zien maar er een beter vervolg aan geven, dat wel degelijk uitmondt in desnoods radicale daden. Daarbij vinden we juist gemoedsrust door voluit in beweging te komen en hard te werken aan oplossingen. Als passiviteit de gewoonte is om uit te rusten voordat je moe wordt, dan is daadkracht de gewoonte om in actie te komen voordat het gevaar voor je neus staat.

 

Het wegkijken voorbij

We halen daarbij onze veiligheid uit de erkenning dat we kwetsbaar zijn tegenover alles wat de natuur voor ons in petto heeft, zoals dit virus, een volgend virus, en een alsmaar extremer klimaat; en dat de zin van het leven niet zozeer neerkomt op koste wat kost overleven, als wel op actief zorg dragen voor onszelf en de wereld om ons heen. Die zorg garandeert geen overleving, maar maakt de kans erop wel groter. Dit geldt voor de economische en politieke samenwerking tussen mensen evenzeer als voor bijvoorbeeld het verminderen van broeikasuitstoot. We zouden dan ook kunnen gaan zien dat ‘relativeren’ neerkomt op zaken niet dramatischer maken dan ze zijn, maar ook op het in de juiste – stevige – proporties zien van wat juist groot en eventueel bedreigend is.

Wegkijken is des te begrijpelijker als je wel degelijk beseft dat er een groot probleem is, maar je je te nietig voelt om het aan pakken. Om ons te verlossen van het ‘crisescomplex’ is het dan ook noodzakelijk om niet alleen zijn complexiteit te zien, maar ook het vermogen om deze te ontwarren én de individuele bijdrage die wij daaraan kunnen leveren. Het mag duidelijk zijn dat coronacrisis, economische krimp, politieke polarisatie en milieuvernietiging een vicieuze cirkel van problemen vormen. De andere kant van dit verband is dat wie de economische pijn van corona eerlijk verdeelt, populisten de wind uit de zeilen neemt. En dat wanneer je degenen die het minste risico lopen en het meeste aan oplossingen kunnen bijdragen – de rijksten en grootste ondernemingen – naar vermogen laat meebetalen, er middelen vrijkomen waarmee de klimaatcrisis kan worden gehanteerd zonder mensen te benadelen die al zwaar getroffen zijn. Een wel erg radicale verandering, een revolutie zelfs? Ja, maar het zou wel eens de enige manier kunnen zijn om te voorkomen dat verandering op veel funestere wijze plaatsvindt, gezien de gevaren die zich ophopen aan onze horizon.

 

Waar het gevaar is, groeit de redding

“Waar het gevaar is, groeit ook de redding,” stelde de Duitse dichter Friedrich Hölderlin ooit. Dat blijkt eens te meer tijdens de coronacrisis, en belooft ondanks alles iets goeds voor de aanpak van het crisescomplex dat zoveel groter is dan deze crisis alleen. Zo hebben slechts enkele maanden waarin McWorld het wat rustiger aan deed, geleid tot een fors afgenomen uitstoot van broeikasgassen. Terwijl de consumptiemaatschappij zich terugtrok, rukte de overheid op, niet ten gunste van zichzelf of van de rijksten ter wereld, maar voor de meest kwetsbare en geraakte burgers. Na vijftig jaar maakt de ‘maakbaarheid’ van de economie een grandioze comeback. En overal ter wereld groeide sociale saamhorigheid, met klappen voor ‘helden’ of duimpjes op Facebook, maar vooral met in daden gegoten zelfbeheersing en solidariteit. Het zou naïef zijn te denken dat dit alles vanzelf leidt tot een betere wereld post-corona: wat het wél duidelijk maakt, is dat actie oog in oog met het crisiscomplex mogelijk is.

 

Gisteren publiceerde ik op deze plek een artikel over wat ik als gevaarlijk en kwaadaardig zie in de coronacrisis. Daarbij ging ik met gestrekt been in op enkele mensen die een rol spelen in deze crisis. Mijn impact als politiek filosoof is lastig te overschatten, maar hoe bescheiden hij ook is: dit is niet de bijdrage die ik wil leveren. En al helemaal niet in een tijd dat veel mensen voor hun leven vechten en minstens zoveel andere mensen zich uit de naad werken om een dodelijke ziekte te weerstaan. Ik op mijn beurt ga nu vooral geven wat ik kan aan wie ik liefheb, en wat ik te geven heb, beoogt iets wezenlijks en positiefs.
Wat ik te geven heb, beoogt iets wezenlijks en positiefs

Je zou het bijna niet meer durven. Oplossingen voorstellen die een einde maken aan het business as usual. Een economie van het genoeg, na de hebberigheid van het steeds meer. Genoegen nemen met minder, in plaats van nieuwe schulden aan te gaan en deze door te schuiven naar onze kinderen en kleinkinderen. Multinationals en miljonairs nu laten betalen, en niet zoals bij de vorige crisis de schade – die toen door bankiers en speculanten was aangericht – op de belastingbetalers verhalen. Radicale oplossingen die neoliberale logica uitdagen, als reactie op een crisis die ons leven op zijn kop heeft gezet: dat mag blijkbaar niet.

 

Unless you are the lunch

Of denken we ons deze crisis uit te lachen, met ‘gratis geld’ van de overheid? Geld dat uiteindelijk door ons samen dient te worden opgehoest, en waarbij de machtigsten en rijksten meestal buiten schot weten te blijven.  Met als gevolg dat de zwakste schouders toch gezamenlijk weer de zwaarste lasten dragen. Op één punt had Milton Friedman, godfather van het neoliberalisme, gelijk: ‘There is no such thing as a free lunch’. Waaraan je kunt toevoegen: unless you are the lunch…

 

Een blik op de horizon

Ergens snap ik het punt wel van degenen die ons vragen nu eerst en vooral braaf binnen te blijven, anderhalve meter in acht te nemen en vooral niet te veel voorbij deze lockdown te denken. De urgente gevaren voor onze gezondheid die uitgaan van ‘het virus’ vragen de nodige aandacht. En dan oogt het al snel ongepast om je blik op de horizon te richten en te waarschuwen voor wat daar wacht. Maar wat nu als juist de zorg om wat er nu door het virus – en onze reactie daarop – wordt aangericht je overtuigt van de noodzaak om het echt anders te gaan aanpakken?

Gisteren kwam het Internationaal Monetair Fonds met een alarmerende update over de verwoesting die de coronacrisis aanricht in de wereldeconomie. Die komt met deze pandemie terecht in de zwaarste crisis sinds de jaren dertig, zo stelt het IMF. En de klap komt vooral hard aan in armere landen, waar overheden en centrale banken niet de hulp kunnen geven die ze bij ons bieden, en mensen en bedrijven zelf meestal ook niet zoveel vlees op de botten hebben. Vijf dagen eerder publiceerde Oxfam een rapport. De hulporganisatie maakt duidelijk dat vooral de twee miljard mensen die in arme landen in de informele economie werken, zwaar te lijden hebben onder lockdowns, en voor hen is er geen betaald ziekteverlof of WW-uitkering. Ook worden mensen er geraakt door het wegvallen van opdrachten uit het Westen. ‘Meer dan een miljoen Bengaalse kledingarbeiders, van wie 80 procent vrouw, zijn al onbetaald naar huis gestuurd of zijn hun baan kwijtgeraakt nadat bestellingen door westerse kledingmerken geannuleerd of opgeschort zijn.’ Michiel Servaes, algemeen directeur  van Oxfam Novib: ‘Deze crisis treft iedereen, maar raakt vooral mensen in armere landen onevenredig hard. (…) Voor honderden miljoenen mensen dreigt (…) een terugval in armoede. Zelfs als het virus hen niet treft, zal de ellende enorm zijn.’

 

Geen ver-van-ons-bed-show

Maar het is niet alleen een ‘ver-van-ons-bed-show’ waarbij we een beroep doen op je compassie of solidariteit. De lockdown – en zeker een verlenging daarvan voor onbepaalde tijd – dreigt ook onze eigen economie naar de kelder te helpen. Er is niks mis met genoegen nemen met iets minder dan we tot nog toe hadden, de meesten van ons hebben het dan nog steeds heel goed. En misschien wel beter, dankzij een hervonden herwaardering van wat werkelijk wezenlijk is. Iets heel anders is de ellende die ook ‘bij ons’ dreigt te ontstaan onder vooral laagbetaalde arbeiders, kleine zelfstandigen en de werklozen die zij zullen worden naast de werklozen die er al waren. Eén gerechtvaardigde vraag is die naar de noodzaak en redelijkheid van een lockdown voor de lange termijn en een zg. anderhalve-metereconomie: die vraag heb ik in mijn vorige blog opgeroepen.

Hier gaat het mij om een andere vraag: namelijk wie er gaat betalen voor deze crisis, zowel in de arme landen als in ons rijke westen. Het basisprincipe lijkt mij dat van de rechtvaardigheid. Aristoteles omschreef deze ooit als het juiste midden tussen onrecht plegen en onrecht lijden: ‘het eerste betekent (…) dat men te veel heeft, het tweede dat men te weinig heeft.’ Hanteren we dit principe in de huidige crisis, dan kunnen we vaststellen dat er een elite van miljonairs en multinationale ondernemingen is, die financieel gezien het minst van deze crisis te vrezen heeft, en het meest kan bijdragen aan haar oplossingen. Zowel VN, IMF als Oxfam bepleiten een omvangrijk steunpakket, waarbij vooral de armen uit de brand worden geholpen.

Oxfam presenteert een ‘Economic Rescue Plan For All’ à 2,5 biljoen dollar, te financieren met ‘emergency solidarity taxes’: “Mobilize as much revenue as possible by taxing on extraordinary profits, the wealthiest individuals, speculative financial products and activities that have a negative impact on the environment.” Een dergelijke progressieve en milieuvriendelijke belasting is op zich al een grensoverschrijdend idee in een wereld waar neoliberalisme sinds decennia de toon aangeeft. Om effectief te zijn, zal ze ook letterlijk grensoverschrijdend dienen te worden: als alleen enkele landen – de braafste jongetjes en meisjes van de klas – haar toepassen, verhuizen miljonairs en multinationals hun winsten en vermogens naar andere landen waar het belastingregime gunstiger is voor hen. Hier ligt een mooie taak voor VN, EU en WTO, voorbij de papieren of digitale steunbetuigingen en het van de autocue opgelezen medeleven.

 

Een Sane New Deal

Het heeft er alle schijn van het spook van corona en Covid-19 meer schade gaat aanrichten dan de kredietcrisis van 2008 en de grote depressie van de jaren dertig. Als dat zo is, dan is het ook tijd voor een plan-met-een-prijskaartje dat de banken-bail-out en Roosevelt’s New Deal ver in de schaduw stelt. De prijs van zo’n Sane New Deal, met zijn doel van een gezonde economie, dient vooral door degenen te worden betaald die tot nu toe de meeste rijkdommen hebben vergaard. Dat is een zaak van koel en logisch denken. Het is ook een zaak van rechtvaardigheid.

 

 

Sinds ons leven door corona op zijn kop is gezet, moet ik steeds vaker denken aan Black Mirror. Deze Britse tv-serie – zo stelt Netflix, waar ze te zien is – ‘beschrijft een zieke nabije toekomst vol technologie’. Niet dat een ziekteverwekker als corona er een rol in speelt, the closest thing to it in de serie is een computervirus. Maar wat Black Mirror op huiveringwekkende wijze laat zien, is een wereld waarin onze relatie met digitale technologie ons vervreemdt van onszelf en van elkaar, om van de natuur nog maar te zwijgen. Een wereld die dichter- en dichterbij lijkt te komen nu diezelfde technologie wordt aangeprezen als het wondermiddel van een langdurige lockdown.

 

Smetvrees als het nieuwe normaal

Wat als de anderhalve-meter-maatregelen langer dan deze eerste anderhalve maand gaan duren, en een vaccin er ook na een jaar nog niet is, of het zelfs helemaal op zich laat wachten? Ik zie kinderen met vierkante oogjes van het computer kijken, ouders die met het ene oog de schermpjes van hun kind in de gaten houden, terwijl ze met het andere oog hun eigen scherm bekijken. Ik zie de glinsterende ogen van Mark Zuckerberg, en anders toch zeker van de mensen achter Zoom, of die van Netflix, waar we nu hele weekenden series als Black Mirror kunnen kijken. Ik zie miljoenen mensen van elkaar afgezonderd en opgehokt zitten, gekluisterd aan hun schermen of voor mijn part eindeloos ganzenbord spelend, maar niet meer gewend aan fysiek contact buiten de familiekring.

Wanneer we nog wel buiten komen, zie ik schichtige bewegingen om elkaar niet te dicht te naderen, en verwijtende blikken wanneer dit onverhoopt wel gebeurt. Ik zie drones, kliklijnen en mensen die elkaar luidruchtig of juist geniepig de maat nemen. Ik zie apps die al onze gangen nagaan en in eerste instantie misschien vrijwillig worden gebruikt, maar die bij aanhoudende of stijgende sterftecijfers zullen worden verplicht. Ik zie een diepgewortelde angst voor lichamelijk contact of zelfs maar fysieke nabijheid. De smetvrees als het nieuwe normaal. Wat gaat dit uiteindelijk betekenen voor het stoeien en knuffelen van vrienden, familieleden en vriendinnen, wat zijn de consequenties voor seksuele relaties: de basis van en voorwaarde voor veel intimiteit en genot, verbinding en voortplanting? Wellicht is ergens een hedendaagse Dr. Strangelove al een app aan het bedenken die zwangerschap zonder seks mogelijk maakt inclusief de opvoeding van het kind door twee partners die te allen tijde anderhalve meter afstand van elkaar kunnen houden. Waarmee we meteen verlost zijn van de lichamelijkheid die al bijna 2500 jaar wordt verfoeid door  uiteenlopende filosofen als Plato, de heilige Augustinus of Arthur Schopenhauer.

 

Moeder natuur mept om zich heen

Maar ik zie nog veel meer. Ik zie massawerkloosheid en incredibly shrinking inkomens: met zoveel mensen die hun primair fysieke en publieke werk niet meer kunnen doen, en zo weinig mensen die nog nodig zijn in een voornamelijk virtueel opererende economie. Het is dat ik niet zo van de complotten ben: anders zou ik geloven dat dit hele corona een uitvinding is van Jeff ‘Amazon’ Bezos in gebroederlijke maar heimelijke samenwerking met Eric ‘Zoom’ Yuan, om hun eigen winstambities door te zetten met zoveel mogelijk klanten en zo min mogelijk lastige en kostbare werknemers.

Over grote gebaren gesproken. Sommigen hebben gesuggereerd dat moeder natuur op dit moment een rekening met ons aan het vereffenen is. Bijna drie jaar geleden maakte de filosoof Bruno Latour een vergelijking met Gaia, de oermoeder van de natuur uit de Griekse mythologie: “De planeet aarde als object is niet langer houdbaar, want ze is niet onverschillig, ze slaat terug.” Het lijkt mij een typisch menselijke fout om de natuur als een soort supermens neer te zetten die gedachten, gevoelens, bedoelingen en zoiets als een behoefte aan wraak zou hebben. Maar Latour en anderen hebben in die zin gelijk dat we de natuur om ons heen niet eindeloos naar onze hand kunnen zetten, zeker niet als dat gepaard gaat met zoveel verspilling en vernietiging.

Des te triester dat juist de coronacrisis op dit moment onze aandacht afleidt van een uiteindelijk veel groter probleem – ook voor ons mensen – de klimaatcrisis. Smakken vol geld worden naar corona geworpen, en dat allemaal omdat wij mensjes (zoals mijn dochter van tien ons graag aanduidt) zo nodig allemaal willen voortbestaan, en het liefst zo lang mogelijk. Daarmee geven we eens te meer blijk van een dwang tot domineren en controleren terwijl we wellicht beter zouden kunnen accepteren: dat we de (rest van de) natuur nodig hebben, dat ook virussen erbij horen en op een – pijnlijke en dodelijke, dat is waar – manier ‘opschonen’, en dat er eens een eind aan komt. Beter dus dan dwangmatig te streven naar massaal overleven en maximaal risico’s beperken, zouden we een andere droom kunnen realiseren die in mijn ogen geen nachtmerrie hoeft te zijn. Integendeel.

 

Reality Or Nothing

In de lente van 1994, terwijl een tumor vanuit zijn alvleesklier is uitgezaaid naar zijn lever, werkt de Britse regisseur Dennis Potter in een race tegen de klok aan zijn laatste tv-serie: Cold Lazarus. Net voor zijn dood rondt hij het af. Cold Lazarus speelt zich af in de 24e eeuw, maar ook deze dystopie doet denken aan de huidige tijd. Amerikaanse multinationals domineren de wereld, steeds meer menselijke contacten zijn virtueel, en commercieel entertainment verhult een achterliggende wereld met heel veel onrecht en ongelijkheid. Een klein groepje verzetsstrijders biedt weerstand, onder de naam RON (Reality Or Nothing). Ze doen dat met terroristische aanslagen, en de overheid slaat keihard terug.

Geweld lijkt niet de aangewezen weg voor welk verzet dan ook in landen die zoals Nederland nog altijd democratisch zijn. Maar wat ik altijd van RON onthouden heb, is de leus: ‘Realiteit Of Niets’. In de filosofie is net zozeer als in de poëzie of het politieke idealisme ‘realiteit’ niet alleen feitelijkheid. Het is ook de werkelijkheid die je wenst, en waarvan je denkt dat ze mogelijk is. In mijn boek ‘De wereld omgekeerd’ omschrijf ik deze gewilde werkelijkheid als het antwoord op ‘de omgekeerde wereld’: de wereld die je niet rationeel en emotioneel aanvaarden wil, en die je een draai wilt geven richting een andere realiteit. Reality or nothing. Hoe zou zo’n wereld omgekeerd eruitzien, in dit tijdperk van corona? Laten we om deze toekomst te verwerven, haar beginnen te verbeelden.

 

De nachtmerrie en de droom

Op de korte termijn lijkt een lockdown logisch. Maar om hem ‘intelligent’ en aanvaardbaar te houden, of achter ons te laten, hebben we eerst een nachtmerrie nodig, en dan een droom. De nachtmerrie die ons tot nu toe drijft, is de dood die het virus brengt. De nachtmerrie die ik hierboven heb trachten te schetsen, is de doodsheid die we in ons leven brengen als we ons blijvend laten leiden door onze angst voor deze dood. Nu is het tijd voor de droom. Ik zie een wereld waarin we het fysieke contact blijven opzoeken, ofwel omdat we de middelen hebben om het virus te weerstaan en de resulterende ziekte te genezen; ofwel omdat we accepteren dat we eraan kunnen sterven of er in elk geval ziek van kunnen worden, net zoals dit kan gebeuren met malaria, hiv of kanker. We proberen dus niet koste wat kost het sterven te vermijden en offeren daaraan de diep menselijke behoefte op aan nabijheid en aanraking, maar accepteren risico’s als deel van ons leven. Ik zie een dergelijke open up sowieso ontstaan: wanneer onze overheden haar niet – enigszins – gecontroleerd mogelijk maken, zullen vooral jongeren haar vroeg of laat ongecontroleerd en ongeremd pakken.

 

De aarde minder plat maken

Ik zie voorbij de aanvaarding van dit virus ook de alternatieven die we kunnen realiseren als we eerst tot ons door laten dringen hoe het zo om zich heen heeft kunnen grijpen. Een van de oorzaken dat deze epidemie een pandemie werd, is de wijze waarop mensen en dieren over de aarde worden gesleept. De ‘platte wereld’ waarin het probleem van de een binnen no time het probleem van een ander wordt, aan de andere kant van de aarde. Reden te meer om de aarde weer wat minder ‘plat’ te maken: tot een global village waarin we wereldwijd contact houden via bijvoorbeeld internet en satelliettelevisie, maar we veel minder de wereld overvliegen en onze voeding primair uit de eigen regio halen. Mondiaal verbonden, lokaal geaard. Het is ook de economie van het genoeg, die de grenzen van het klimaat en overige natuurwetten respecteert. In die zin zouden we de coronacrisis kunnen opvatten als een tragische maar ook welkome generale repetitie voor een nog veel dreigender probleem: de oververhitting van de aarde. Het goede nieuws uit de voorbije maanden: blijkbaar zijn drastische maatregelen wel degelijk mogelijk, en kunnen politici er met enige overtuigingskracht zeker democratisch draagvlak voor vinden. Waarmee ook de democratie zelf een impuls zou krijgen: van kijksport die door leiders wordt bedreven en door burgers wordt ‘gerecenseerd’ (of genegeerd), naar contactsport waarbij we zélf onze verantwoordelijkheid pakken en mee gaan werken.

 

Beter worden

Ja, we kunnen beter worden. Ook als we soms besmet raken en het niet overleven. Na zo lang van zoveel rijkdom en vrijheid te hebben kunnen genieten, van alles te hebben en er vaak mee om te gaan alsof het niets is; moeten we het nu met wat ‘minder’ doen en kunnen we daar meer moois en waardevols bij ervaren. In die zin zijn onze huidige schonere luchten in tijden van weinig vliegverkeer en de dieren die weer verschijnen waar mensen binnen blijven, hopelijk een aankondiging van het vele dat evenzeer en verder nog mogelijk is. Daar zou je dan ‘het virus’ en ‘de natuur’ weer bijna dankbaar voor zijn. Maar uiteindelijk moeten we het zelf doen, met dat kleine beetje dat we in onze macht hebben, oog in oog met zoveel dat onze vermogens overstijgt.

We zijn vier weken verder sinds ons publieke leven on hold ging, steeds een stapje verder. Eerst de massale bijeenkomsten. Toen het beperktere samenzijn in scholen, cafés, restaurants, en bij kappers, masseurs of fysiotherapeuten. Daarna het samenscholingsverbod en de zachte dwang om anderhalve meter afstand te houden. Sommigen hebben gehamsterd. Anderen hebben geklapt en gejuicht. De een voelt zich verveeld, eenzaam of juist opgewekt in zijn semi-huisarrest. Een ander is doodziek geworden en gestorven.

 

You never walk alone

Sociale wetenschappers en politiek filosofen – ik behoor tot deze beide groepen van doorgaans als niet-vitaal beschouwde beroepen – gaan in dit soort tijden los op het mensbeeld dat je eruit afleiden kan. Zie ze nu eens pakken wc-papier, zeep en bloem in hun winkelwagentjes stouwen, kijk hoe ze ondanks alle goede raad massaal het park opzoeken, zie je nu wel… onder dat dunne laagje beschaving deugt de mens nu eenmaal niet! Maar kijk eens hoe dokters en verplegers zich een slag in de rondte werken om mensenlevens te redden, hoe mensen vrijwillig boodschappen doen voor hun zieke buren, en wat voor prachtige initiatieven er ontstaan op social media… Alle menschen werden Brüder, and You never walk alone!

Deze crisis aangrijpen om mensen ofwel inktzwart te schilderen ofwel leliewit te wassen, lijkt me even nutteloos als slordig. Met selectief shoppen uit het nieuws of je eigen waarneming weet je er altijd wel je punt mee te maken. Ook onderzoeken – uit bijvoorbeeld de gedragspsychologie – kunnen naar believen worden gebruikt om ‘aan te tonen’ dat mensen voor andere mensen wolven zijn, dan wel veel aaibaarder en aardiger diertjes. En middenin de coronacrisis staart de een zich dan blind op de hamsteraar of anderhalve-meterhork – of, om een heel ander voorbeeld te noemen, de aso die een heel leven gerookt, gevreten en gedronken heeft, om nu onze broodnodige ic-bedden bezet te houden. Terwijl zijn tegenstander blijft wijzen op de ‘helden in de zorg’ en o zo aardige ‘meeste mensen’ die allemaal onbaatzuchtig deugend afstand houden.

 

Het menselijke beestje

De realiteit is er een die veel gewone stervelingen beter onder ogen zien dan nogal wat afgestudeerden-met-een-ideologische-agenda: ‘goed’ en ‘kwaad’, sociaal en asociaal, schuilen allebei in het menselijke beestje, en een virus als dit maakt dat eens te meer duidelijk. Wat niet meer dan logisch is, want het zijn altijd de crises, epidemieën, oorlogen, dictaturen en hongersnoden die zowel het beste als het slechtste in mensen naar boven halen. En, dat wordt nog wel eens vergeten: ook de ontzagwekkende hoeveelheid gedragingen tussen dat beste en slechtste in. In de oorlog die inmiddels al bijna 75 jaar achter ons ligt, verraadden nogal wat Nederlanders hun buren, uit ideologisch fanatisme, afgunst of winstbejag. Anderen hielpen dezelfde buren onderduiken of redden zelfs mensen die hen totaal vreemd waren, belangeloos en met gevaar voor eigen leven. Weer anderen steunden de Duitsers uit idealisme of om erger te voorkomen, of sloten zich juist aan bij het verzet omdat ze ook wel eens iemand om wilden leggen of een ‘held’ hoopten te worden. De overgrote meerderheid zat de oorlog uit en ging zo goed en zo kwaad als het ging verder met zijn dagelijks leven, net zoals wij vandaag de ‘lockdown’ beleven.

Het is in deze voor de meesten van ons verderlichte variant op oorlog en bezetting, waar we eens te meer zien dat wat mensen zijn, blijkt uit wat ze doen, en dan wel vooral in een situatie ‘die ertoe doet’. Voor maar weinigen van ons volstaan daarbij eenduidige oordelen, laat staan gemakzuchtig veroordelen. De meeste mensen doen wat hen goed lijkt voor henzelf of voor anderen – en wel op de eerste plaats hun geliefden – en de ene keer pakt dat beter uit dan de andere keer. Deze filosoof zou nu opnieuw voorbeelden kunnen noemen van anderen, maar hij kan de blik ook op zichzelf richten, iets wat filosofen nogal eens liever niet doen: druk als ze zijn met De Mens, Het Leven en De Wereld. De voorbije vier weken ben ik veel thuisgebleven en heb ik me doorgaans op minimaal negentig centimeter van anderen gehouden; ik heb me als vrijwilliger aangemeld bij het ziekenhuis en een tientje gedoneerd aan het Rode Kruis. Ik heb mijn stukjes geschreven op deze site, ter troost en inspiratie. Maar ik heb die eerste zaterdag ook wat boodschappen extra en vooruit gekocht – is dat hamsteren? – en heb die middag met honderdduizenden andere Nederlanders het bos opgezocht. We zullen zien wat ik kan en wil opbrengen als deze situatie – of een nog verdere lockdown – het nieuwe normaal wordt.

 

Onze betere kanten

De uitdaging is daarbij wat mij betreft niet of we in wezen wel of niet deugen, maar wat we kunnen doen. En dat duidt zowel op het slechte of halfslachtige waar we toe in staat zijn, als op het goede, sociale en grootse dat in ons zit en er juist in een crisis als deze uitkomt. Laten we vooral het onszelf vergeven als dit niet allemaal naar wens is, van onszelf of van anderen. En laten we vervolgens onze gemakzucht, lafheid of egoïsme omhelzen met onze betere kanten. Intermezzo: terwijl ik dit tik, staat ineens een klasgenoot van mijn 10-jarige dochter voor de deur om een balletje te trappen en een taartje te eten. Dit soort ontmoetingen maken deze tijd mooi, ook zonder het fysieke contact dat we nu missen. Want ja: we houden anderhalve meter afstand, ook bij het taart eten of balletje trappen. 

Ik had het over onze betere kanten. Er zijn drie eigenschappen die ons door deze crisis kunnen loodsen: verantwoordelijkheidsgevoel, rechtvaardigheid en moed. Wie verantwoordelijkheid voelt, zet zich in voor de belangen van andere mensen of voor wat anders is dan de mens. Wie rechtvaardig is, neemt niet meer maar ook niet minder dan haar toekomt. Wie moed in huis heeft, loopt risico en wel bij voorkeur omdat zij verantwoordelijk en rechtvaardig wil zijn. Het is prachtig te zien hoe velen van ons op dit moment hun verantwoordelijkheid nemen omdat ze willen dat anderen overleven, ook al kost hen dit zelf inkomsten en bewegingsvrijheid. Dat is ook een daad van rechtvaardigheid. Eerder is al opgemerkt dat terwijl in de Tweede Wereldoorlog mensen hun leven zelf waagden om de levens en vrijheden van anderen te redden, nu alles wat we hoeven op te brengen, thuisblijven is. Tegelijkertijd kunnen we ons afvragen – ook dít is zowel verantwoordelijk als rechtvaardig – of dit het nieuwe normaal moet blijven.

 

Liefde bij leven en sterven

Ik heb al eerder geschreven dat er iets is wat nog belangrijker dan het leven zelf is: de liefde waarmee we leven. Of sterven. Ons hele ‘samenleven’ beperken tot virtueel contact en anderhalve meter afstand, is uiteindelijk geen liefdevol leven meer. Zeker niet wanneer het gepaard gaat met virus-controlerende apps die onze mobiele telefoontjes veranderen in een soort elektronische enkelband. Laten we dus vooral de moed opbrengen om kritisch te blijven tegenover degenen die het beste met ons voorhebben. Laten we onze democratie en vrijheden verdedigen nu deze onvermijdelijk onder druk komen te staan, bang als we ook zelf zijn voor de dood, het verlies en de pijn. En laten we werken aan een samenleving die dit lijden nooit helemaal kan vermijden, maar waarin degenen die het dragen kunnen, niettemin de meest kwetsbaren beschermen. Hoe deze nabije toekomst eruit gaat zien, dat adviseren degenen die de wegen van het virus het beste kennen. Maar erover besluiten: dat doen wij als burgers en leiders uiteindelijk zélf, en gezamenlijk. Anders dooft het licht.

Het zal de meeste mensen zijn ontgaan, bezorgd als ze zijn om hun eigen gezondheid of die van hun geliefden, maar achter de schermen van de coronacrisis woedt een strijd tussen deontologen en consequentialisten. Het is een filosofisch en ethisch debat, maar dan wel een dat allerminst academisch is. Wat ter discussie staat, is namelijk de huidige (al dan niet ‘intelligente’) lockdown en de levens die deze politieke keuze redt dan wel kost.

De eerste groep – die van de ‘plichtethiek’ – volgt het devies van Immanuel Kant dat het goede doen neerkomt op gehoorzamen aan absolute, altijd en overal geldende plichten. De plicht bijvoorbeeld om levens te redden, want het was ook Kant die stelde dat het mens-zijn een doel op zich was en nooit alleen een middel tot iets anders. Hoogleraar ethiek aan de UvA Beate Roessler stelde het afgelopen zaterdag in de Volkskrant als volgt: “Wat ik mooi vind, is dat de meeste politici in Nederland nu kantiaans redeneren, namelijk: we moeten elk afzonderlijk leven respecteren en alles doen om dat te redden.” Anderhalve meter afstand, thuisblijven, niet met meer dan drie mensen ‘samenscholen’, in je elleboog niezen… alles om menselijke levens te bewaren, niet alleen die van jezelf, maar zeker ook die van anderen.

Ik waag te betwijfelen of Mark Rutte er Kants Fundering voor de metafysica van de zeden of de Kritiek van de praktische rede op heeft nageslagen toen hij tot zijn ‘intelligente lockdown’ besloot. Dan nog heeft Roessler gelijk dat mensenlevens bij dit kabinet voorop lijken te staan. Een andere optie zou die van het ‘consequentialisme’ zijn: keuzes maken tussen ‘goed’ en ‘slecht’ op basis van de mogelijke consequenties ofwel gevolgen. Zo’n perspectief werd in diezelfde Volkskrant van zaterdag door Frank Kalshoven bepleit: “Uit welke beleidsopties kunnen we kiezen? En wat zouden hiervan dan de gevolgen zijn? (…) het heropenen van kinderopvang en scholen veroorzaakt (iets) meer besmettingen, maar beperkt de schade aan de economie, en doet minder afbreuk aan het welbevinden van ouders. Dit soort afwegingen is niet voor gevoelige zielen. Tot nu toe is de indamming van besmettingen verabsoluteerd.”

Provocerender nog werd een dergelijke ‘absolutistische’ indammingspolitiek afgewezen door filosoof en psychiater Damiaan Denys. Op 12 maart al reageerde hij op de eerste beperkende maatregelen van het kabinet: “(…) het coronavirus infecteert mensen boven de 70 en de 80 jaar. Dat is misschien een gezonde correctie op het feit dat we veel te lang leven.” Afgelopen zaterdag voegde hij eraan toe: “Realiseren we ons dat we nu een jongere generatie mensen belasten met de problemen om deze oudere mensen nu te redden?” Zo’n oog voor de gevolgen van ‘koste wat kost levens redden’ kan harteloos klinken, en is in dit geval feitelijk ook niet helemaal juist aangezien corona niet alleen ouderen treft. En bovendien: waarom zouden (ook wanneer je gevolgen met elkaar vergelijkt) de levens van ouderen per definitie minder waard zijn dan de levens van jongeren?

Niettemin hebben consequentialisten ook een punt, met hun aandacht voor de negatieve en soms zelfs fatale gevolgen van maatregelen die op het eerste gezicht moreel hoogstaand lijken. Dat is bijvoorbeeld ook de visie van hoogleraar Besturen van Veiligheid Ira Helsloot, die gisteren in Het Financieele Dagblad werd geciteerd: “Elke week dat we hiermee doorgaan, kost tienduizenden extra levensjaren.” Helsloot wijst op kankerpatiënten die nu moeten wachten op behandeling of mensen die werkloos raken en wier levensverwachting daardoor afneemt.

Opvallend genoeg ontbrak in het morele debat over de kabinetskeuzes tot nog toe de derde ethische hoofdstroom: die van de deugdenethiek. Het was bijna 2500 jaar geleden – ver voordat Kant zijn plichtsethiek formuleerde, en Jeremy Bentham zijn ‘grootste geluk voor het grootste aantal’ – de Griekse godfather van de ethiek Aristoteles die aangaf dat wie het goede wil doen, maar beter zijn eigen goede eigenschappen ofwel ‘deugden’ kan trainen. Daarbij kun je denken aan dapperheid, vrijgevigheid of ‘rechtvaardigheid’: dat je niet meer, maar ook niet minder neemt dan je toekomt. Wat de deugden steeds gemeen hebben bij Aristoteles, is dat ze ‘het juiste midden’ beogen.

Vandaag, middenin de coronacrisis en het ethische debat dat daarover woedt, zouden we ons voordeel kunnen doen met precies zo’n balans tussen verschillende uitersten. Bijvoorbeeld ook het idee dat je eindeloos en mateloos levens moet redden en dat je daar zowel welvaart als vrijheid voor opoffert. Het is uitgerekend een arts – én filosoof – Marli Huijer die dit vaststelde: “de obsessie met het vermijden van alle risico’s is buitenproportioneel. We zullen moeten accepteren dat mensen overlijden. (…) Als mensen moeten kiezen tussen bewegingsvrijheid, contact, een sociaal leven; of inperking van die vrijheden en bescherming dan weet ik het zo net nog niet. Je kunt geen samenleving hebben waarin nooit meer iemand ziek is en alle risico’s zijn geëlimineerd. Dat is nog slechts een ‘leving’. (…) We zullen moeten accepteren dat risico’s bij het leven horen, en – hoe verdrietig ook – ook het risico van de dood.”

Ikzelf geloof in het nut van alle drie de ethische richtingen, juist in tijden als deze. De plichtsethiek maakt terecht duidelijk dat het belangrijk is om beginselvast te zijn, en Kant heeft als weinig anderen benadrukt hoe logisch en rechtvaardig het is om anderen hetzelfde leven te gunnen dat je voor jezelf zo elementair acht. Consequentialisten als Bentham en John Stuart Mill geven ons mee dat juiste intenties zonder oog voor de consequenties steriel zijn en dat je soms bereid moet zijn levens te offeren om veel meer levens te redden (hetgeen we bijvoorbeeld in tijden van oorlog onze soldaten opleggen). Van deugdenethici ten slotte kunnen we leren dat juiste morele keuzes niet met een calculator of plichtenlijstje in de hand gemaakt worden, en dat je de kans vergroot op het goede handelen wanneer je mensen hun eigen oprechtheid of rechtvaardigheid laat ontwikkelen.

Ik baseer mijn keuzes dan ook op wat ik in  De Wereld Omgekeerd een ‘Ethiek-3.0’ heb genoemd. Zo’n ethiek neemt het beste mee van deontologie, consequentialisme en deugdenleer. En, dat vooral, zo’n ethiek kan je helpen om in een crisis als de huidige het slechte te laten en het goede te doen. Mij schijnt het toe dat Rutte en de zijnen ook zonder hulp van de heren en dames filosofen (inclusief mijzelf) heel aardig het midden weten te houden tussen absolute lockdown die kantiaans valt te verdedigen of totaal ‘laissez faire’ met een beroep op welvaartsbehoud à la Bentham & Mill. Iets heel anders is de vraag – ook dat is een ethisch debat van jewelste – of deze crisis het beste of het slechtste in ons gewone stervelingen naar boven haalt, met andere woorden: in hoeverre de meesten van ons deugen, of dat we deugnieten zijn. Over die vraag buig ik me in een volgende blog.

Lockdown. Na ‘corona’ is dit hard op weg het woord van het jaar te worden. Met een gretigheid die catastrofilie doet vermoeden, roepen sommigen erom, als het even kan geïllustreerd met foto’s van mensen – De Anderen – die te weinig afstand houden. Een lockdown… Als het nodig is, is het nodig, zou ik zeggen. En laten we daarbij vooral de inzichten volgen van mensen die het weten kunnen. Wat weer iets anders is dan na zeventien miljoen virologen nu zeventien miljoen jaknikkers en verklikkers aan te wijzen. Of zestien miljoen gedetineerden, en een miljoen cipiers, als er eenmaal mensen opgesloten moeten worden.

Ik moet bekennen dat er nog een neiging is, een waaraan ik mezelf zo nu en dan schuldig maak. Dat is het zo snel en absoluut mogelijk aanwijzen van De-Les-Die-We-Van-Deze-Crisis-Moeten-Leren, inclusief de enige echte oorzaak en dito oplossing. Het nauwelijks verhulde verlangen dat na deze pijnlijke periode een volledig vernieuwde mens en -maatschappij hun intrede zullen doen. Eerst levertraan, dan beter leven. Doordat we eindelijk naar Moeder Aarde gaan luisteren (ik citeer hier met enige schaamte mezelf); doordat we het kapitalisme nu wel gaan afschaffen, nadat we die kans bij de kredietcrisis hebben gemist; of doordat we weer lekker behaaglijk De Gemeenschap omhelzen en ‘ons’ individualisme het raam uitgooien.

 

Uitzitten, uitzieken, uitzoeken

Ofwel, zoals Seije Slager het treffend in Trouw formuleerde, afgelopen zaterdag: “(…) met hoeveel gemak we de tekenreeks SARS-CoV-2 decoderen tot een nieuw bewijsstuk voor een overtuiging die we al langer dienden.” Overigens is dat nog maar één kant van het verhaal. Wat ook meespeelt, is dat we met z’n allen zo verslingerd zijn geraakt aan het constant meningen de (social) media in slingeren, dat nog maar weinigen van ons bereid zijn de crisis even de crisis te laten en onze grootse oordelen voor veel later te bewaren, wanneer het stof is opgetrokken. De Uil van Minerva, weet u nog? Wat wél te doen? Ik kan het niet beter zeggen dan Marco Evenhuis, die op Facebook schreef: “Misschien eerst de crisis ‘s even goed uitzitten en uitzieken alvorens we wijs gaan doen over waar het heen moet en in select gezelschap bepalen wat het beste voor ons is.”

Evenhuis heeft hier gewoonweg gelijk, en toen ik het las voelde ik me dus een beetje een sukkel, omdat ikzelf de voorbije weken ook zo ‘wijs’ heb lopen doen. Tegelijkertijd geloof ik dat het belangrijk is om na – of naast – het uitzitten en uitzieken ook uit te zoeken welke lessen we uit deze crisis kunnen leren. Het voordeel van de vele opdrachten die ik in deze tijd misloop is in elk geval dat ik de tijd heb om over die lessen na te denken. En in mijn geval – als iemand die geen Covid-19-patiënten kan genezen en ook al geen coronavaccin kan ontwikkelen – betekent dat: woorden en beelden bieden waardoor we deze crisis beter begrijpen en er in die zin ook meer grip op krijgen. Het betekent waarheden trachten aan te reiken die ons houvast, troost en richting geven. Het is: filosoferen.

 

De noodzaak van het filosoferen

In de honderden colleges die ik de voorbije jaren heb gegeven bij The School of Life is er altijd wel iemand die over filosofie zegt dat het een luxe is. Een Eerste-Werelddingetje, zeg maar, voor wie zich geen zorgen hoeft te maken over leven en dood, overleven of creperen, gezondheid of levensbedreigende ziekte. I beg to differ. Voor mij is filosoferen diepgaand nadenken over hoe je leeft, waarom je zo leeft, en op welke wijze je anders zou kunnen leven. En het is vervolgens dat doen, en het beleven. Het zijn geen filosofietjes en theorietjes, het is levenswijsheid die je omzet in een levenswijze.

Het is bijvoorbeeld wat Abel Herzberg schijnt te hebben gezegd nadat hij het concentratiekamp Bergen-Belsen had overleefd, tegen andere kampslachtoffers: “Je moet van die woede af, anders hebben ze je tweemaal te grazen. Eerst in het kamp, daarna als meester van je geest.” De filosofie die mij inspireert, las ik bij Aristoteles, Nietzsche of Arendt; maar hoorde ik ook bij ervaringsdeskundigen als Herzberg of de activisten die ik in Latijns-Amerika interviewde: verzetsstrijders die twaalf jaar lang gemarteld waren en het alleen vol hielden door hun stoïcisme, of Dwaze Moeders die worstelden met pijn en wrok, haat en liefde nadat ze hun mannen of kinderen verloren hadden. Dit is het soort filosofie dat niet tracht indruk te maken door dikke boeken in te slikken en te herkauwen, door dure woorden te gebruiken en chique namen te noemen, maar dat de kleine en grote vragen van ons leven serieus neemt en beantwoordt.

 

Tegenover de tunnelvisie de openheid

Filosofie is er dus niet alleen wanneer crises vermeden worden en de pijn afwezig is: je hebt haar juist nodig in het concentratiekamp, tijdens de hongersnood of in welke situatie dan ook waar het je aan gemak en plezier ontbreekt. Daar behoef je het denken meer dan ooit: om de ongedachte en ongewenste situatie tegemoet te treden. En dat brengt me weer op deze coronacrisis en haar (dreiging van) lockdown. De lockdown is niet alleen de feitelijke situatie waarin we gebouwen of gebieden niet meer mogen betreden, of juist niet meer mogen verlaten. Het is ook de geestelijke afsluiting: het gefixeerd raken op één ding, op één perspectief, op één oplossing, op één zondebok of schuldige. Tegenover die tunnelvisie plaats ik de openheid, het open staan voor verschillende oorzaken, oplossingen en inzichten.

Dat is niet zozeer een vermaning aan anderen die minder open en ‘verlicht’ dan ikzelf zouden zijn. Ik wil graag mijn eigen bekrompenheid signaleren en corrigeren. Dus terwijl ik hier in een aangenaam huisarrest verkeer – met naast me op de bank mijn dochter die aan een andere laptop haar huiswerk maakt en boven me op de slaapkamer mijn vrouw die haar werk doet – neem ik mezelf voor open te staan voor alle verschillende wijsheden die de filosofie bieden kan. Ook de wijsheden die me misschien minder sympathiek voorkomen, zoals de reële mogelijkheid dat ook deze crisis ons niet werkelijk wijzer zal maken (een wijs man heeft ooit gezegd: het enige wat we van de geschiedenis leren, is dat we niets van de geschiedenis leren); of dat een volledige lockdown nu echt de beste optie zou kunnen zijn, hoezeer we ons ook tegen dit idee verzetten omdat politici als Wilders en Baudet het bepleiten.

 

De wereld omgekeerd

Over een week verschijnt mijn boek ‘De wereld omgekeerd’. Het is – voor mij althans – een tikje tragisch dat onze wereld inmiddels zo op haar kop staat, dat mijn feestje rondom dit boek over de omgekeerde wereld is afgelast. Tegelijkertijd voel ik het voorrecht en de verantwoordelijkheid om exact dat te doen wat ik ook in dit boek al deed: zo diepgaand mogelijk nadenken over de wereld waarin we leven, en dat zo toegankelijk en aantrekkelijk mogelijk uitleggen. Lockdown? Open up!

Vannacht lag ik te woelen in mijn bed. Datzelfde bed waarin ik nu dit artikel schrijf, aangezien ons huis te klein is voor een werkkamer en mijn vrouw beneden naar het huiswerk van mijn dochter kijkt. Datzelfde bed van waaruit ik vanavond het eerste digitale college van mijn leven zal geven, nu ik vanwege de Coronacrisis mijn griepje maar beter binnenshuis houd. Datzelfde bed tenslotte waarin ik vaak ’s nachts lig te piekeren, als ik het gevoel heb dat ik de dag ervoor niet goed genoeg was. En me dan voorneem het de volgende dag beter te doen.

Het is bijna een week geleden sinds duidelijk werd dat we in een crisis zitten, het soort situatie waarover criticus (sic) Daniel Mendelsohn ooit schreef: “For what is a crisis, if not an event that forces us to distinguish between the crucial and the trivial, forces us to reveal our priorities, to apply the most rigorous criteria and judge things?” Vannacht realiseerde ik me dat ik de voorbije dagen heb gemist wat triviaal is in deze tijd, en wat daarentegen cruciaal is en dus tot mijn prioriteiten zou moeten behoren.

Ik heb me in eerste instantie vooral druk gemaakt om de opdrachten die de komende weken – en maanden? – wegvallen voor mij als zzp’er, en de inkomsten die ik daardoor misloop. Ik heb ervan gebaald dat de presentatie van mijn boek ‘De wereld omgekeerd’ over twee weken niet door kan gaan nu onze wereld ineens op haar kop staat. Ik maak me druk om mijn gezondheid nu ik kuch, hoest en me slap in de benen voel, en weet dat ik evenmin als wie dan ook immuun ben voor de minuscule ziekteverwekker die rondwaart in dit land en de rest van de wereld.

 

  1. Liefde is belangrijker dan (over)leven

Wat, zal je zeggen, is er belangrijker dan ons leven? Is er iets groters en belangrijkers om je zorgen over te maken? Laat ik allereerst vaststellen dat niets het waard is om je druk over te maken. De triviale, onbetekenende dingen zijn er niet belangrijk genoeg voor. De cruciale, betekenisvolle zaken zijn er juist te belangrijk voor: je hebt er alle energie voor nodig, en kan die dus beter niet verspillen met gestress of gepieker.

Voor mij – ik dacht het al langer te weten, maar realiseerde het me pas weer echt toen de paniek me vannacht eerst bevangen en toen weer verlaten had – is liefde ­belangrijker dan het leven zelf. Wat heeft het voor zin om je leven te rekken als je in dit leven niet bijdraagt aan welzijn, van jezelf en van de wereld om je heen? Laat ik dus bij dezen mijn dank uitspreken aan meneer of mevrouw Corona die mij eens te meer aan het verstand peutert dat ik niet koste wat kost gezond hoef te blijven, en dat het veel belangrijker is dat ik het goede doe, oog in oog met de angst en tegenslag die dit virus ons vandaag de dag presenteert.

 

  1. Home is where the heart is

Zelden maakte een crisis ons zo goed duidelijk waar precies de liefde allereerst kan worden gegeven: thuis. Het zijn nu eens niet ‘de kindertjes in Afrika’ of ‘de vluchtelingen op Lebos’, maar je vrouw en je eigen kinderen, je man of je vriend, je vriendin of je ouders om wie je je zorgen maakt en voor wie je dus wilt zorgen. Dat lijkt misschien in strijd met mijn opmerking zojuist dat liefde belangrijker dan (over)leven is. Dat is het niet.

Wanneer je liefhebt en dus graag zoveel mogelijk wilt bijdragen aan welzijn in de wereld, begin je maar beter zo nabij mogelijk, bij jezelf en bij degenen die je het vaakst ziet en voor wie je ook een verantwoordelijkheid draagt. Dáár is het waar je iets ten goede kunt betekenen, ook als je de gezondheid van je gezin maar gedeeltelijk in de hand hebt, door naar elkaar om te kijken, met elkaar te lachen (en soms te huilen, als je bijvoorbeeld de hemeltergende verhalen uit Italië hoort en niet alleen compassie voelt maar ook bang bent voor je eigen lot). Nee, misschien gaan ook wij het uiteindelijk niet redden en mogelijk ook verliezen we een geliefde aan dit virus. Maar we kunnen in elk geval tijdens de maanden van ‘huisarrest’ dichterbij elkaar komen dan we ooit kwamen, en spreken we vaker dan ooit over de telefoon met de leden van onze more extended family.

 

  1. Begin bij jezelf, maar eindig daar niet

Wat niet wil zeggen dat je al liefhebbend halt houdt bij de grenzen van je gezin en de rest van de wereld het zelf uitzoeken mag. Een van de mooiste begrippen die deze lelijke crisis ons heeft gebracht, moet wel de groepsimmuniteit zijn. Het fenomeen dat hoe meer sterke mensen Covid-19 oplopen en overleven, hoe meer zij met hun verworven weerstand het risico verkleinen dat onze zwakkere broeders en zusters door het virus besmet worden. Hadden de kracht van het collectief en de schoonheid van solidariteit ooit een betere illustratie, een die nauw verbonden is met leven en dood, en daadwerkelijke opoffering vraagt in plaats van een beroep te doen op duimpjes en hartjes via je social medium naar keuze?

We inviteren dus het virus om ons te infecteren, maar wel weer zo met mate dat onze gezondheidszorg niet wordt overvraagd. We kijken met afschuw naar degenen van ons die aan het hamsteren (en mogelijk straks aan het plunderen) slaan, ook als wij diegenen zelf zijn. We klappen voor de dokters, broeders en zusters, politiemannen en vuilnisvrouwen, en al die anderen die in tegenstelling tot de filosoof daden in plaats van woorden te bieden hebben. En we incasseren de financiële tegenvallers die ons ten deel vallen, niet omdat we voor onzekerheid gekozen hebben (zoals hier en daar een rare kwibus poneert) maar omdat de onzekerheid onvermijdelijk is en solidariteit en inventiviteit altijd mogelijk zijn. Ik weet niet of de meeste mensen deugen, ik weet wel dat we allemaal – ook als we eigenlijk deugnieten zijn – het goede kunnen doen.

 

  1. We Live on the Internet

We lived on farms. And then we lived in cities. And now we’re going to live on the Internet. Aldus medeoprichter van Facebook Sean Parker in The Social Network uit 2010. Tien jaar verder blijkt hoezeer deze – fictieve of feitelijk geuite – woorden werkelijkheid zijn geworden. Zeker wanneer het buitenleven in dorpen en steden een bedreiging is geworden omdat het tot besmetting leiden kan. En dus geef ik vanavond mijn eerste digitale college nadat ik het duizenden keren eerder ‘fysiek’ heb gedaan; krijgt mijn dochter haar opdrachten via een scherm in plaats van in de klas, met de andere kinderen om haar heen; en spreekt mijn vrouw haar cliënten telefonisch waar ze hen eerder de hand schudde. Leven op het internet is op dit moment even de enige manier om überhaupt te blijven leven en ook anderen te laten leven.

En nu de bijsluiter. Stephen Fry wees twee jaar geleden op de dubbelzinnige dynamiek van het internet. Enerzijds de enorme ontsluiting van informatie en de grenzeloze variëteit van interessante opinies, de mogelijkheid ook om te troosten of je te laten troosten door anderen die je nooit in levende lijve hebt ontmoet, de kans kortom om je te verbinden met mensen en ideeën overal ter wereld. Anderzijds: de minachting voor experts ‘met ook maar een mening’, de complottheorieën, de haat en de woede die stuk voor stuk rondzingen op (a)sociale media en die ons juist verdelen. Fry vergelijkt internet dan ook met de kruik van Pandora: de mythische bron van alle mogelijke kwalen terwijl er louter moois wordt verwacht. Maar ook, zou je nu weer kunnen vaststellen, de plek waar altijd dat ene artikel achterblijft dat we allemaal nodig hebben… de hoop.

 

  1. Verzoen jezelf met de/je natuur

De enige hoop echter die zijn naam waard is, vind je niet op het schermpje van je Iphone of MacBook. Die schuilt in de natuur. Als filosofen over ‘de natuur’ spreken, bouwen ze daarmee een bewuste ambivalentie in. ‘Natuur’ is de menselijke aard, wat mensen ten diepste zijn: het is onze natuur. ‘Natuur’ is ook wat juist níet menselijk wordt geacht: de dieren, de planten, de aarde. De klimaatcrisis herinnerde ons de voorbije jaren er al aan dat we een verstoorde relatie met (de rest van) de natuur hebben, en dat het hoog tijd wordt dat we die relatie herstellen of – misschien dat wel – eindelijk eens fatsoenlijk met de natuur leren omgaan. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat in onze menselijke natuur een paar wissels omzetten: van hebzucht, vraatzucht en antropocentrische arrogantie naar weten te delen, genoegen nemen met minder, en je plaats kennen op een aarde die zoveel ouder en grootser is dan het menselijke dier.

Nu is het de Coronacrisis die ons een lesje leert, wanneer wij tenminste bereid zijn te luisteren. Er zijn mensen die stellen dat het virus zijn kans kreeg mensen te infecteren omdat die mensen dieren (vleermuizen) aten, en dat niet in de meest hygiënische omstandigheden. Feit is dat onze wereldwijde consumptiemaatschappij – McWorld – het virus de ideale mogelijkheid verschafte zich verder te verspreiden, met dank aan massatoerisme en massavermaak, allebei vehikels van ‘intensieve menshouderij’. De schrijver Jonathan Safran Foer wijst in zijn Dieren Eten op de vlees- en visindustrie, die zodanig omgaat met dieren dat het wel tot epidemieën moet leiden, in eerste instantie onder de betrokken dieren, maar vervolgens vaak ook onder mensen. Voor mij is het de ultieme reminder dat we nooit helemaal veilig zullen zijn voor virussen, dat we dat ook nooit waren, maar dat we op zijn minst kunnen proberen ze niet zelf op te wekken. Misschien wordt het dus tijd om McWorld te vervangen door een keten van kleinschaliger samenlevingen, waarin de menselijke maat en het respect voor de aarde samengaan.

Tot zover de lessen die ik in de voorbije week van dit virus heb geleerd. Misschien herken je ze uit je eigen leven, misschien zijn ze nieuw voor je, mogelijk vind je ze nergens op slaan. Ook dat laatste is prima, dan scherpen ze wellicht je eigen (betere) ideeën. Hoe dan ook is het bijzonder dat dit virus – in China ontstaan – de twee karakters illustreert die samen het Chinese begrip ‘crisis’ vormen: chaos en kans. We zijn duidelijk niet immuun voor dit virus, en al helemaal niet voor de angsten die het losmaakt, daarin schuilt de chaos. Maar juist zijn aanwezigheid biedt ons de kans op een ander soort immuniteit: de weerstand tegen wat minder waardevol of zelfs waardeloos is, het vermogen om te geven en te delen, op internet maar vooral in het lijfelijke contact van mens tot mens. Voorlopig primair binnenshuis, en later – als we letterlijk en figuurlijk zijn ‘uitgeziekt’ – ook weer daarbuiten.

Photo by Jusdevoyage on Unsplash