“De Telegraaf, die lees ik niet graag, zo ’s ochtends vroeg op mijn nuchtere maag. Stompzinnige leugens, racistische mest. En al ver voor de oorlog zo fout als de pest.” Halverwege de jaren tachtig zong ik voluit mee als ons communistische koor De Grootste Mond deze regels aanhief. ‘Wij communisten’ hadden ons tijdens de Duitse bezetting verzet tegen de nazi’s. ‘Zij’ bij De Telegraaf hadden met de bezetter gecollaboreerd (hetgeen de krant na de bevrijding kwam te staan op een verschijningsverbod van vier jaar).

 

Mijn dedain voor de krant

Ik bleef ook daarna mijn dedain voor de krant nog wel even cultiveren. Toen ik in militaire dienst vrijwel alle andere soldaten het AD of De Telegraaf zag lezen, deelde ik hen mee dat ik die in nog geen vijf minuutjes uit zou hebben. Het soortelijk gewicht aan echte informatie was veel te laag en niet te vergelijken met de krant die wij thuis lazen: de Volkskrant.

Na mijn diensttijd studeerde ik op de School voor Journalistiek. Kwam dat even goed uit. Daar namelijk stond de grootste krant van Nederland ook niet echt hoog aangeschreven. Hele generaties ex-studenten kunnen je vertellen hoe hun docenten denigrerende opmerkingen maakten over de krant en je afraadden om er stage te lopen. Nadat ik in 1995 zelf begon als docent aan de school heb ik me ook wel eens aan zulke, eeuh… feedback gewaagd. Ik las immers ‘kwaliteitskranten’: Volkskrant, Trouw en NRC, en was nog altijd een linkse jongen op een grotendeels linkse school met vrijwel uitsluitend linkse vrienden en collegae.

 

Het beeld begon te kantelen

Maar gaandeweg begon mijn beeld te kantelen. Hoe dan ook raakte ik er steeds meer van overtuigd dat De Telegraaf niet voor niets de meeste lezers trok, en dat zelfs als je het niet eens bent met zijn columnisten of commentatoren, je deze krant moet beschouwen als een serieuze journalistieke speler. Die studenten en docenten journalistiek vooral (eventueel erbij) moeten lezen en waarvoor je stagairs of afgestudeerden ook zeker kunnen schrijven. Dat gebeurde dan ook: zo gingen diverse prima jonge journalisten die ik had helpen opleiden er werken na hun opleiding. Chris Ververs, Jannes van Roermund en Jessy Burgers bijvoorbeeld. Wat ook hielp: ik interviewde Paul Jansen, de huidige hoofdredacteur van de krant, voor mijn proefschrift en was aangenaam getroffen door zijn even kritische als constructieve visie op politieke journalistiek.

En toen, vorig jaar juni, vond ik ineens een boodschap op mijn voicemail van Johan van den Dongen, chef opinie bij De Telegraaf. Hij vroeg me of ik een verkorte versie wilde aanleveren voor zijn opiniepagina van een verhaal dat ik zojuist op mijn site had gepubliceerd in reactie op White Privilege en Black Lives Matter: ‘Ik ben niet je witte’. Zelden zo’n attente en zorgvuldige eindredactie meegemaakt, na een leven waarin mijn artikelen nogal eens onherstelbaar werden verminkt door overijverige of betweterige collega-journalisten. En nee, Van Dongen vroeg me niet er een lekker Telegraaf-schepje bovenop te doen – vol ‘stompzinnige leugens en racistische mest’ – hij drukte me juist op het hart om zo genuanceerd mogelijk te schrijven.

 

I couldn’t care less

In de dagen erna kreeg ik heel veel bijval van mensen die mijn artikel in De Telegraaf hadden gelezen. Maar ook enkele bijtende kritieken. Die gingen niet alleen inhoudelijk over mijn stuk – all in the game – maar ook over het feit dat ik in deze krant had geschreven. De krant die moslims en Marokkanen per definitie zwart zou maken. Die weigert blanken wit te noemen en ook al niet spreekt over ‘mensen van kleur’. En de klimaatcrisis niet serieus neemt, maar in plaats daarvan pleit voor harder rijden en meer asfalt. Blijkbaar was ook ik nu fout in de ogen van degenen die zoveel meer dan anderen deugen.

I couldn’t care less. Ik heb mijn verhaal mogen brengen zonder er een letter aan te hoeven veranderen. Niet alleen vorig jaar juni, maar nog eens in oktober dat jaar en nu vandaag opnieuw. In een krant waar men in elk geval begrijpt dat vrije meningsuiting er ook is voor mensen die niet exact hetzelfde vertellen als wat je hoofdredacteur vindt. Tot drie keer aan toe heb ik in deze krant mogen betogen dat de aanpak van de klimaatcrisis een prioriteit is. En dat niet al prekende voor eigen parochie, maar voor ruim een miljoen mensen. Waarvan er nu wellicht een paar op andere gedachten worden gebracht.

 

Zo ’s ochtends vroeg op mijn nuchtere maag

Bij de opinieredacties van de kranten die ik zelf jaren heb gelezen (en waarvoor ik soms ook heb geschreven) – Trouw, NRC en Volkskrant – vond ik de voorbije jaren keer op keer geen gehoor voor mijn opvattingen. Wellicht hoor ik toch niet bij ‘ons soort mensen’, met de juiste opinies en de gepaste toon. Misschien ben ik niet ‘links’ genoeg meer, terwijl ik mezelf toch ook zeker niet als ‘rechts’ beschouw. Voor de duidelijkheid: het is niet die afwijzing die mij motiveert om nu voor de krant te schrijven die ik vroeger zelf als fout bestempelde. Ik wil simpelweg een zo groot mogelijk publiek voor de boodschap die mij aan het hart gaat: dat we gezamenlijk de crises van corona, klimaat, economie en politiek te lijf dienen te gaan, in plaats van ons te laten verdelen op kleur, sekse of seksuele, politieke en religieuze voorkeur. En als dat kan in De Telegraaf… dan schrijf ik daar maar al te graag voor, zo ’s ochtends vroeg op mijn nuchtere maag.

Wat gebeurt er als je een filosoof en een psycholoog samen laat nadenken over wijsheid in een turbulente wereld? En als je vervolgens met hen en met andere cursisten in gesprek gaat over je eigen ervaringen, idealen en plannen voor de toekomst? Zoals de Zen-meester zei: We gaan het zien… En wel dit najaar.

  • Geef jezelf de kans om juist in deze tijd stil te staan bij wat veranderingen om je heen met je doen.
  • Krijg inzichten in hoe belangrijke denkers omgingen met veranderingen en uitdagingen in hun tijd.
  • Laat deze ideeën op je inwerken en je aanzetten tot een eigen antwoord.
  • Krijg nieuwe impulsen en volg deze zonder oordeel.
  • Maak plannen, werk ze uit, scherp ze aan en voer ze uit!

 

Programma:

 

  • Dag 1:

 Hoe om te gaan met crisis?

“For what is a crisis, if not an event that forces us to distinguish between the crucial and the trivial, forces us to reveal our priorities, to apply the most rigorous criteria and judge things?” (Daniel Mendelsohn).

 

Niets is blijvend, behalve verandering.

“Niemand stapt ooit twee keer in dezelfde rivier. Want het is niet dezelfde rivier en hij is niet dezelfde mens.” (Heraclitus).

 

 

  • Dag 2:

Wie geeft de antwoorden? Of zitten ze in jezelf?

“Verwacht geen ander antwoord dan dat van jouzelf.” (Bertolt Brecht).

 

Leven en laten leven: vind een balans tussen jou en de ander.

“Het is niet jij die de wereld een plaats geeft, maar het is de Ander, die jou aanspreekt, appelleert en jou een plaats geeft.” (Emmanuel Levinas).

 

 

  • Dag 3:

 Je eigen Odyssee: hoe vaar je wel in deze wereld?

“Van veel mensen zag hij de steden en hij leerde hun visie kennen. Maar veel ook moest hij afzien op zee.” (Homerus, de Odyssee).

 

Opbouw en werkwijze:

De leergang ‘Terug naar je eigen normaal’ is opgebouwd uit 3 plenaire bijeenkomsten van ieder 2 dagdelen (ochtend/middag), waarbij lezingen en workshops elkaar afwisselen. Tijdens deze sessies ga je samen met ons op zoek naar jouw eigen nieuwe richting. Je wordt uitgedaagd, krijgt feedback en werkt je plannen uit. Tussen de bijeenkomsten kun je contact met een buddy onderhouden. Daarin heb je de mogelijkheid om je ideeën te toetsen, verdiepen en concretiseren. De plenaire bijeenkomsten zijn dan weer het moment om je ervaringen te delen en te sparren met alle anderen en je verder te laten inspireren.

 

Docenten:

Remko van Broekhoven (Breda, 1967). Studeerde journalistiek en politicologie. Gaf les aan de Hogeschool Utrecht, de Universiteit Leiden en de Universiteit Utrecht, en doet dit nog steeds bij het HOVO en The School of Life. Is sinds 2006 werkzaam als filosoof. Publiceerde drie publieks-filosofische boeken: Staat van Tederheid in 2007; Verbeter de wereld, begin om halfelf in 2011; en De wereld omgekeerd in 2020. Promoveerde in 2016 op een politiek-filosofische dissertatie over de rol van de journalistiek in de democratie. Verzorgt filosofische counseling 1-op-1 of in kleine groepen, en workshops voor bedrijven en organisaties over ethiek, zelfontwikkeling en maatschappijverbetering.

 

Michiel Theunissen (Nijmegen, 1966). Studeerde psychologie aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Was van 1997 tot 2006 senior trainer en -coach bij Boertien & Partners waar hij organisaties en individuen begeleide in professionele en persoonlijke verandering en transitie. Is sinds 2006 zelfstandig psycholoog en procesbegeleider. Coacht, traint en begeleidt (management-) teams, leidinggevenden en individuen in communicatie, samenwerken, leidinggeven en persoonlijke groei.

 

Locatie, data en prijs: Conferentiecentrum De Poort Groesbeek; 14 oktober, 4 en 23 november 2021; € 1295,– (inclusief lunch, koffie en thee).

 

Meer informatie en aanmelden: info@michieltheunissen.nl of contact@remkovanbroekhoven.nl

Na heel veel tunnel aan het eind van het licht, gloort er licht aan het eind van de tunnel. Stukje voor stukje kunnen we er weer op uit en elkaar ontmoeten, écht ontmoeten. Als filosoof wil ik daaraan een bijdrage leveren met een Herfstschool Goed Leven. Vijf dagen in september en oktober waarin we zonder schermpjes tussen ons in gaan praten over onszelf en een wereld waarin crisis het nieuwe (of oude?) normaal is. We beantwoorden vragen als ‘Wie zijn we?’; ‘Waarom zijn we er?’; ‘Wat willen we?’; ‘Wat houdt ons tegen?’ en ‘Wat gaan we doen?’. Daarbij laten we ons inspireren door grote – beroemde maar ook onderbelichte – denkers; en door veranderings- en berustingskunstenaars zoals de stoïcijnen, boeddhisten en taoïsten. Plaats van handeling is conferentiecentrum Samaya: een voormalig klooster in de weilanden tussen Betuwe en Utrechtse Heuvelrug. De tijdstippen: de maandagochtenden 6 en 13 september; woensdag 29 september de hele dag; en de maandagochtenden 4 en 11 oktober. De kosten: €500,-. Je kunt je bij mij opgeven tot en met vrijdag 4 juni. Zie ook de agenda van Samaya: hier.

 

Het wordt tijd om het Binnenhof te bestormen, de Tweede Kamer in de fik te steken en Rutte naar buiten te slepen. Dan nemen we de macht over en wordt alles beter. We maken het kapitalisme kapot, voeren een beter systeem in en redden de planeet..

 

Heb ik nu je aandacht?

Zo, heb ik nu je aandacht? Ik vraag het omdat ik eigenlijk een heel ander voorstel had. Ik wilde voorstellen om vandaag nog een groene revolutie te beginnen. Een diepgaande en radicale verandering van ons leven die even duurzaam als democratisch is. De economie van het genoeg, die niet wordt uitbesteed aan overheden en bedrijven, maar neerkomt op drastisch minder consumeren door onszelf: de burgers van het Westen. En dan vooral degenen van ons die het meest te besteden hebben en tegelijkertijd het meest nemen van de natuur. Met als gevolg dat onze kinderen en kleinkinderen straks niet langer fatsoenlijk kunnen leven. Om maar te zwijgen van het niet-menselijke deel van de natuur: de dieren en de planten.

 

Idiote en explosieve bevolkingsgroei

Het zou betekenen dat we eindelijk voorbij het kapitalisme gaan. Dat we ook eindelijk niet langer zeggen te deugen, maar dit laten zien met ons doen en laten. Door meer of zelfs puur plantaardig te gaan eten. Door de auto en het vliegtuig in de regel te laten staan. Door eindelijk een eind te maken aan de idiote en explosieve bevolkingsgroei. En door olie en gas in de aarde te laten zitten in plaats van de Noordpool te ontdooien zodat we ook daar grondstoffen aan de aarde kunnen onttrekken.

 

Doormodderen en wegkijken

Ik denk dat dit veel beter is dan doormodderen en wegkijken zoals we dat nu doen. Dat leidt namelijk niet alleen tot een gebrek aan actie, maar ook tot frustratie en woede onder diegenen die straks de enorme kosten moeten gaan betalen van een voortwoekerende klimaatcrisis. Ik denk ook dat het beter is dan te wachten totdat techneuten of wijze mannen en vrouwen het voor ons gaan oplossen. En het is zeker beter dan een eco-dictatuur of eco-terreur van groepjes die mensen dood en spullen stuk gaan maken in dienst van het goede doel.

 

Revoluties zijn nodig om explosies te voorkomen

Dus stelde ik afgelopen week een grote landelijke krant voor om zo’n pleidooi te schrijven. De kern: revoluties zijn nodig om explosies te voorkomen. De paradox is deze… Willen we behouden wat we hebben en het delen met meer mensen, dan zullen we misschien niet alles, maar wel heel veel moeten veranderen. Niet morgen, niet overmorgen, maar vandaag. Niet alleen door de economie en de politiek te veranderen, maar door als burgers te kiezen voor genoeg tussen te veel en te weinig. Ik zou de grote lijnen aangeven van deze revolutie. De precieze maatregelen lees je dan wel terug bij politieke partijen of actiegroepen.

 

De ruiten van de lokale McDonald’s

De reactie van de redactie: niet prikkelend genoeg, te groots, te weinig concreet. Mijn conclusie: ik had beter gedreigd met aanslagen en gepleit voor geweld. Dan had ik wellicht de krant gehaald. Dat is spannend, dat is sensationeel. Maar ik heb al te veel geweld in mijn leven gezien, ik heb te vaak moeten meemaken hoe ik met honderdduizenden anderen demonstreerde en de journalisten pas interesse toonden als enkele honderden van ons de ruiten van de lokale McDonald’s ingooiden. OK, ik heb dus niet jullie aandacht. Tien, twintig, dertig jaar van mijn leven waarin ik heb geprobeerd om deze boodschap te brengen, komen nu ten einde.

 

De revolutie begint hier

Dus heb ik gisteren met mijn dochter maar een bordje gemaakt: ‘Help de bij’. Een oproep om niet te veel gras en bloemen weg te maaien, zodat dit insect dat ook zo belangrijk is voor ons, de ruimte krijgt. Ik heb het in de berm langs de weg geplaatst. Want ik weet dat die oude oosterse wijsheid nog altijd waar is: ‘Iedere reis van duizend kilometer begint met één stap.’ De revolutie begint hier. En misschien blijft ze daar ook wel.

Hoe langer het virus rondwaart en hoe langer de lockdown duurt, hoe meer ik erachter kom dat de pandemie niet de werkelijke plaag is van deze tijd. Ik bedoel niet eens zozeer dat het meest schadelijke virus voor de planeet de mens is, met alle vernietiging die wij, al exponentieel groeiende, loslaten op de rest van de natuur. Wij hebben niet te maken met een virus… we zijn een virus. Maar dat heb ik al eens eerder gemeld, en ik ben bepaald niet de enige.

 

Hey, what’s that sound?

Hier wil ik iets anders kwijt. En wel dat me steeds vaker opvalt hoeveel verbetenheid, verkramping, ja… extremisme er in de lucht hangt. Of, laten we nu even afstappen van de virusmetafoor: in wat zoveel mensen doen en laten, zeggen en schrijven, aangeven en uitdrukken. Het doet me denken aan wat Stephen Stills 55 jaar geleden schreef in For What It’s Worth: “There’s something happening here. But what it is ain’t exactly clear. (…) It’s time we stop. Hey, what’s that sound? Everybody look, what’s going down?”

Het kwartje viel bij mij pas echt toen een cursist van de Jaaropleiding waarin ik les geef, vertelde over het Klimaatalarm waaraan zij de zondag ervoor had deelgenomen. Daar stond ze dan, met enkele honderden anderen in het Westerpark. Wat haar was opgevallen, zei ze, was dat iedereen alles en iedereen filmde, en dat de deelnemers allemaal zo op hun hoede leken. Mijn conclusie – want ik had wat zij beschreef ook al eerder opgemerkt in de protesten tegen de coronamaatregelen: angst en wantrouwen regeren, ook – of juist – bij degenen die daadwerkelijk de straat opgaan tegen wat zij als een nachtmerrie ervaren en voor wat hen als een droom bezielt.

 

De plaag die plagen veroorzaakt

Hoe kan het ook anders? We leven nu al ruim een jaar tussen een beetje hoop en vooral veel vrees. Angst dat we besmetten of besmet raken. Angst dat we onze vrijheden kwijt raken. Angst dat we onze welvaart verliezen. We voelen niet meer de intimiteit met onze vaders en moeders, onze zussen en broers, onze beste vrienden en vriendinnen. En zeg nou niet dat Zoom zoveel goed maakt: Internet is nothing but a poor excuse. Het is ook internet waar mensen elkaar voor rotte vis uitmaken: omdat De Ander ‘wit’ is (of juist ‘zwart’), wel of niet LHBTXYZ, moslim of islamofoob, het virus ontkennen of juist voor eigen gewin manipuleren zou. En misschien ben ik een tikje overgevoelig, maar dat we elkaars glimlach slechts met de grootst mogelijke moeite ontwarren voorbij dat mondkapje, helpt ook niet echt. Hoe scheef Stills het ook alweer? “Paranoia strikes deep. Into your life it will creep. It starts when you’re always afraid.”

Ik stel me zo voor dat dit ook was wat eerder de pest en de Spaanse griep teweeg brachten: Plaag zijn en daarmee andere plagen veroorzaken. Als een pandemie namelijk iets doet, is het wel de kwetsbaarheid en onzekerheid blootleggen die er altijd al waren maar die we zo graag wegdenken en -wensen. En in die situatie is het een kleine stap naar fictieve zekerheden en maar al te reële woede en wrok tegenover wie zich aandient als zondebok. Die combinatie van fundamentalistische frustratie en fictie is levensgevaarlijk. Niet alleen omdat mensen in zulke omstandigheden vooral elkaar te lijf gaan. Maar ook omdat we zo geen aandacht meer hebben voor de gezamenlijke actie die nodig is oog in oog met maar al te reële problemen: het kroonvormig virus waarmee het vorig jaar begon, de klimaatcrisis waarvoor dit nog maar de generale repetitie is, en de woedepolitiek die dreigt als we de onvermijdelijke kosten van  het virus en de klimaatcrisis niet eerlijk verdelen.

 

I can’t breathe!

Het kan geen toeval zijn dat Black Lives Matter vorig jaar ontvlamde op een moment dat het virus miljoenen mensen de adem benam: met de videobeelden van een man die herhaaldelijk I can’t breathe! riep en uiteindelijk stierf toen hij echt geen lucht meer kreeg. Wat begon als een volkomen terechte uiting van woede over de zoveelste dood van een zwarte Amerikaan door politiegeweld, werd al snel een tragikomische exercitie in extremisme. Een op één hoop vegen van alle mogelijke manieren waarop ‘mensen van kleur’ door ‘systemisch racisme’ zouden worden gekleineerd, met daarbij de suggestie – of zelfs openlijke stelling – dat ieder die ‘wit’ is vol voorrechten leeft en dat wie niet ‘wit’ is, tegenwoordig in het Westen slechter af zou zijn dan wie waar en wanneer ook ter wereld (een interessant perspectief voor de ‘witte’ Joodse slachtoffers van de Holocaust, én voor degenen die ooit leden onder de Zuid-Afrikaanse Apartheid, of onder lynching mobs in Alabama of Mississippi). En daarna een golf van onverdraagzaamheid en kleinzielig gesleutel aan de verkeerde of juiste woorden, het cancellen van wie niet de juiste kleur bezit of de toegestane taal gebruikt, met als meest recente dieptepunt het aanwijzen van sensitivity readers die als de grootinquisiteurs van deze tijd klassieke werken te lijf gaan als Dante’s Divina Commedia. Je zou ze een eeuwigdurend verblijf toewensen binnenin een brandende grafkist in de zesde kring van de hel… ware het niet dat je betere engelen je hier net op tijd voor behoeden, als beschaafd mens.

 

Extremisme, met mate

“Extremisme vind ik prima, maar met mate,” zei Theo Maassen ooit. Dat lijkt een ongerijmdheid, maar is een paradox. Juist wie tot het uiterste voor haar of zijn idealen gaat, dient namelijk steeds koele relativering op diezelfde idealen los te laten, en heeft vooral oog voor de menselijke maat: ons onvermogen om absoluut geluk te realiseren, ons aanmodderen, ons betrekkelijke gelijk, alles dus wat menselijk is, maar al te menselijk. Extremisme is idealisme waar geen maat op staat, dat bijvoorbeeld totale vrijheid nastreeft in een tijd waarin een dergelijke vrijheid helaas bijzonder besmettelijk is; of dat juist volledige opsluiting wenst waar een dergelijk ophokken wellicht het virus zou stoppen, maar het ook onze welvaart en ons levensgeluk vakkundig vernietigt. Extremisme is ieder die een bepaalde kleur heeft eerst en vooral op die kleur beoordelen en liever nog veroordelen; het is jezelf moreel superieur verheven achten boven degenen die ‘het’ nog niet begrepen hebben; het is ‘zwart-wit’ mensen in groepen proppen terwijl ze individuen zijn, met voorrechten en tegenslagen, met verdiensten en tekorten, maar bovenal met een kleurenrijkdom die alle kortzichtigheid tart.

Voor dit extremisme, deze verbetenheid en verkramping, is er een alternatief. Het wordt ons aangereikt door een man die in zijn tijd  te dealen had met zowel de onverdraagzaamheid van blanke als van zwarte racisten. Op 16 april 1963 schreef hij een open brief vanuit de cel in Birmingham, Alabama, waar Martin Luther King beland was door zijn burgerlijke ongehoorzaamheid tegen een toendertijd onmiskenbaar racistische overheid. De brief was een antwoord op degenen die zijn activisme bekritiseerden, en is bekend geworden als de Letter from Birmingham Jail. Hierin merkte King onder meer op: “De vraag is niet of we extremist zullen zijn, maar wat voor extremist we zullen zijn. Zullen we extremisten zijn voor haat, of zullen we extremisten zijn voor liefde?” Voor die keuze staan we ook vandaag, oog in oog met een plaag.

 

 

 

 

 

Lockdown? Open up! Zo besloot ik een jaar terug een van mijn eerste artikelen over de coronacrisis. Sinds die tijd heb ik heel erg veel Zoomcolleges geven en van net wat minder frequente fysieke ontmoetingen genoten. Voor mijzelf, maar ook voor heel veel anderen bleek filosoferen geen luxe te zijn, maar een eerste levensbehoefte. Juist nu.

Twee andere behoeftes bleven de voorbije maanden van lockdown en avondklok onvervuld. De eerste: weer in een fysieke ruimte samenkomen. Meer dan alleen elkaars hoofden of bovenlijven zien. Echt kunnen merken hoe anderen op je reageren. Je huis uitkomen en op plekken belanden die je nog niet of nauwelijks kende. De tweede: langer en diepgaander met elkaar kunnen praten dan een college toestaat.

Het zijn deze twee doelen die ik hoop samen te brengen in wat ook voor mij een nieuwe ervaring gaat zijn: mijn eerste echte eigen Zomerschool Goed Leven. Vijf dagen lang filosoferen over onszelf en de wereld om ons heen. Bespreken wat onze ervaringen zijn met persoonlijke ontwikkeling én met maatschappijverandering. Ofwel: hoe verbeteren we de wereld, en worden we zelf een nóg aangenamer mens.

Aan de hand van klassieke én moderne filosofen; mijn boeken ‘Staat van tederheid’, ‘Verbeter de wereld, begin om halfelf’ en ‘De wereld omgekeerd’; en wat de tien tot veertien cursisten zélf inbrengen, verkennen we vijf dagen lang de kunst van het goede leven – doen wat goed voelt voor jezelf, doen wat goed kan zijn voor de wereld, en doen waar jij als geen ander goed in bent.

Filosofen als Epicurus en Aristoteles lieten met hun scholen al zien hoe belangrijk goed gezelschap én praktijkoefening is wanneer je filosofie werkelijk wilt beleven. Daarom is er in deze week heel veel tijd voor gesprekken met elkaar: onder de cursisten zelf en 1-op-1 van cursisten met mij. En daarom bekijken we steeds wat we in onze eigen levens herkennen van de teksten die we in alle rust bestuderen en bespreken, en bevragen we elkaar op wat we er eenmaal thuis mee denken te gaan doen.

Op de eerste dag draait het om de vraag: ‘Wie zijn we?’ We verbinden ons beeld van onszelf met de meer universele mensbeelden die filosofen ons hebben meegegeven. Dag 2 gaat het om de vraag: ‘Waarom zijn we er?’ Ook daarbij leggen we verbanden tussen de antwoorden die ‘Grote Denkers’ hebben gegeven op deze zg. ‘zingevingsvraag’ en de zin die we ieder apart aan ons eigen leven geven. Op dag 3 staat de vraag centraal: ‘Wat willen we?’ Dat betekent niet alleen nagaan wat  de doelen, ambities en idealen zijn waarmee we onszelf motiveren; maar ook de vraag verkennen hoe mensen in deze wereld tot gezamenlijke projecten komen die hen zowel verbinding als vrijheid gunnen. Dag 4 proberen we de vraag te beantwoorden ‘Wat houdt ons tegen?’ Wat zijn de psychologische obstakels en filosofische wetmatigheden die verandering in de weg staan: hoe noodzakelijk en aantrekkelijk deze ook lijkt? Op de vijfde, laatste dag sluiten we de week af met een reeks antwoorden op de vraag ‘Wat gaan we doen?’, waarbij we ons laten inspireren door elkaar en door denkers die ook doeners zijn, verandering- en berustingskunstenaars zoals de stoïcijnen, boeddhisten en taoïsten.

De plaats van handeling is conferentiecentrum Samaya: een voormalig klooster in de weilanden tussen Betuwe en Utrechtse Heuvelrug. Een prachtige en rustige plek waar je ook goed kunt slapen, eten en drinken, wandelen en fietsen. De tijdstippen: maandag 19 tot en met vrijdag 23 juli; óf zondag 1 tot en met donderdag 5 augustus. De kosten:  €1400,- voor de hele week cursus inclusief maaltijden en overnachting op een eenpersoonskamer. Eventueel zijn ook enkele tweepersoonskamers beschikbaar, dan komen de kosten op €1200,- per persoon.

Je kunt je voor de Zomerschool in juli bij mij opgeven tot en met zondag 18 april; en voor de Zomerschool van augustus tot en met vrijdag 30 april. Mailen: contact@remkovanbroekhoven.nl. Indien de cursus vanwege coronamaatregelen van de overheid niet doorgaat, wordt de boeking kosteloos geannuleerd en krijg je dus je geld terug. In elk ander geval geldt: open up!

 

 

Perictione of Plato? De laatste ken je zo goed als zeker. De eerste zo goed als zeker niet. Of je kent haar hoogstens als Plato’s moeder. Toch was Perictione zelf ook filosofe. Wat dacht ze, wat vond ze, wat schreef ze? We weten het niet. Plato zelf schrijft niet over haar, terwijl hij het zoals bekend vaak en veel over Socrates heeft. Er zijn wat werken bekend die haar als auteur vermelden. Daarvan wordt inmiddels aangenomen dat ze na Plato’s tijd zijn vervaardigd en dus niet door haar geschreven kunnen zijn. Er wordt soms zelfs getwijfeld of Perictione echt heeft bestaan en of ze wel echt filosofe was.

Wie zal het zeggen. Hoe dan ook is het lot van heel veel getalenteerde denkers door de eeuwen heen dat ze genegeerd of geridiculiseerd werden omdat ze geen man waren. Of dat ze niet eens filosofie mochten of durfden te bedrijven, ook weer vanwege hun vrouw-zijn. De meeste opleidingen filosofie draaien vandaag de dag nog steeds om mannelijke denkers: Socrates, Plato en Aristoteles bijvoorbeeld; Kant, Nietzsche en Marx; John Rawls, Albert Camus of Jean-Paul Sartre.

Ikzelf – toevallig man, het zal je misschien zijn opgevallen – leerde het filosoferen van mijn moeder Miriam (van Reijen), kenner van Spinoza en de stoïcijnen, en een van de meest inspirerende en toegankelijke filosofen die ik ken. Niet voor niets bewijs ik Miriam eer in mijn laatste boek ‘De wereld omgekeerd’. Dat heb ik dan hopelijk alvast beter dan Plato gedaan, ook al kan ik wellicht verder niet in zijn voetstappen staan. Of die van Miriam, laat dat anderen maar bepalen…

Later bestudeerde ik filosofes als Simone de Beauvoir, Hannah Arendt, Martha Nussbaum en – mijn favoriete denker van dit moment – Danielle Allen. In de geschiedenis van de filosofie zijn vrouwelijke denkers te vaak over het hoofd gezien. Ik ben dan ook ontzettend blij dat ik dit najaar een cursus over vrouwelijke denkers mag geven bij het Hoger Onderwijs voor Ouderen in Utrecht. Dit voorjaar doe ik het alvast via Zoom voor wie jonger dan vijftig is of  niet wachten kan. Het zal daar over de bovenstaande filosofes gaan, maar bijvoorbeeld ook over Etty Hillesum en Ayn Rand; en over thema’s als feminisme en gender, macht en onmacht, goed en kwaad, ratio en emoties, zorg en onzichtbaarheid.

Wie mijn colleges ooit heeft gevolgd, weet hoe ik werk: bevlogen en tegelijk down to earth; met wat de denkers zelf zeiden of schreven, heel veel videofragmenten en de nodige mogelijkheden tot interactie; zodanig kortom dat zelfs een Zoomcollege een fysieke én geestelijke belevenis wordt, waarbij we werkelijk tot elkaar en tot de behandelde ideeën komen.

Data: de donderdagen 20 en 27 mei; 3, 10, 17 en 24 juni. De tijdstippen: 19.00-21.30. De kosten: 150 euro. 

Je kunt je opgeven via: contact@remkovanbroekhoven.nl

 

Soms adviseren filosofen je de dingen die je zelf ook wel had kunnen bedenken. Tot tien tellen bijvoorbeeld. Dat is wat de stoïcijn Seneca ons voorhoudt als remedie voor je eigen woede. Hij vertelt over Socrates die ooit in razernij zijn slaaf wilde slaan. Net op tijd bedacht hij zich, en zei toen: ‘Ik zou je slaan als ik niet boos was.’ De filosoof begreep dat slaan misschien niet de beste oplossing was, dat hij iets zou kunnen doen waar hij later spijt van zou krijgen en dat als hij al wilde straffen, dit misschien beter kon gebeuren op een ander moment en met een weloverwogen besluit. Seneca: “De terechtwijzing van de slaaf stelde hij uit tot het ogenblik dat hij meer bij zinnen zou zijn, op dit ogenblik wees hij zichzelf terecht.”

 

Een dichter door het stof

Ik was woedend de afgelopen week. Mijn eerste impuls was om een post op Twitter of Facebook te plaatsen. En dan tekeer te gaan tegen degenen die een dichter door het stof lieten gaan omdat ze blank is; en tegen het idee dat een mens van kleur het werk van een mens van kleur moet vertalen. Omdat alleen zij of hij de pijn van een African American zou kunnen aanvoelen en omdat te vaak donkere dichters worden overgeslagen. Ik deed het niet, en telde tot tien. Wel las ik de bijdragen van anderen die mijn gedachten en gevoelens verwoordden, deelde en likete ik ze of plaatste ik er een kort commentaar bij. En nu ik dan tot tien heb geteld, schrijf ik alsnog. Niet om tekeer te gaan en anderen terecht te wijzen, maar om het meningsverschil voorbij te gaan, mijn eigen woede en gekrenktheid ook. Ik wil een poging tot verzoening doen.

 

De Mandela van de lage landen

Het is niet dat ik de Gandhi of Mandela van de lage landen ben. Ik heb een miniem podium en een beperkt publiek, en nogal wat temperament. En laten we wel wezen: de vraag wie precies van een zekere uitgever in A’dam een bepaald gedicht mag vertalen in – hou je vast – het Nederlands, is nou ook weer niet wereldschokkend. Volgende week hebben we vast weer een andere rel waarbij mensen elkaar schuimbekkend hun waarheden in het gezicht kunnen slingeren. En ondertussen woekeren de corona- en klimaatcrisis door, of het nu Marieke Lucas Rijneveld is of een nu nog onbekende dichter met de juiste hoeveelheid pigment, die de poëzie van Amanda Gorman in fraaie woorden weet te vatten. Ik merk dat ik mijn woorden weeg, en dat ik evenveel schrap als schrijf.  Ik wil niet alsnog mijn gelijk proberen te halen of toch weer mijn woede ventileren over wat ik onzinnig en onrechtvaardig vind. Ik wil dat we als verschillende mensen die nu tegenover elkaar staan, tot elkaar komen om – welke opinies, en kleur, sekse of seksuele voorkeur we ook hebben – samen de grote problemen aan te pakken die ons bestaan bedreigen: het virus, de vernietiging van de natuur, de immense ongelijkheid tussen wie in armoede leeft en wie in overdaad.

 

Mij zie je niet in talkshows

En geloof me, beste tegenstander in dit debat: ik begrijp je best. Sterker nog, ik voel misschien niet exact dezelfde maar wel een vergelijkbare woede over onrecht en ongelijkheid. Zo’n veertig jaar geleden werd ik politiek actief en een van de zaken die mij in al die jaren het meest pijn deden was de discriminatie van anderen, in Amerika, Zuid-Afrika en in ons eigen Nederland. Daar voerde ik actie tegen, soms in betaalde dienst en veel vaker als activist. Nu dan ben ik verontwaardigd wanneer ik het gevoel heb dat we blanken afrekenen op hun blank zijn, iets wat ik evenzeer afwijs als racisme tegen wie níet blank is en iets wat bovendien de zaak van de gelijkheid niet dichterbij brengt, maar juist verder weg. Maar hé, nu dreig ik opnieuw mijn punt te gaan maken, het punt dat ik hier niet maken wil. Ook ik als blanke voel soms woede en – laat ik voor mezelf spreken – zelfs miskenning, afgunst en verongelijktheid wanneer ik moet vaststellen dat ik ondanks de talenten die ik denk te hebben, gepasseerd word en niet op het podium mag staan waar ik graag iets goeds zou bijdragen. Ik krijg geen column in een landelijke krant, ik word niet uitgenodigd voor talkshows, in tegenstelling tot vele anderen met of zonder een kleur die volgens mij lang niet altijd iets originelers hebben te vertellen en zeker ook niet per se iets constructievers. Ook ik voel me nogal eens afgewezen en genegeerd. Dat zou een band kunnen scheppen tussen ons, in plaats van een conflict. Laten we elkaars negatieve gevoelens herkennen, in plaats van ieder onze eigen negativiteit op elkaar los te laten.

 

In een vlek moet je niet wrijven

Nee, ik heb nog een beter idee. Laten we ons bevrijden van onze negativiteit en samen iets positiefs neerzetten. Ik weet dat het niet makkelijk is. ‘In een vlek moet je niet wrijven,’ luidt de traditionele wijsheid, ooit bedacht voor huisvrouwen maar ook zeer geschikt voor wijsneuzen en wijsgeren. En toch hebben we iedere keer weer de neiging om wat al lelijk is, van nog meer aandacht en vooral nog meer negativiteit te voorzien. Dat zal voor een deel komen doordat strijd altijd weer iets spannends en sensationeels heeft; doordat geweld griezelig is maar je ook een uitlaatklep biedt; en doordat we als we een goede zaak in botsing zien komen met een ‘slechte’, we helaas niet altijd de blik gericht houden op die goede zaak (keep your eyes on the prize), maar negatieve energie gaan richten op wat wij als negatief ervaren. Menselijk, maar al te menselijk.

 

Het zwarte gat dat Wilders heet

Toen ik bijna tien jaar terug onderzoek deed naar de manier waarop de journalistiek omging met het fenomeen Wilders, ontdekte ik bijvoorbeeld dat die niet zozeer heel veel aandacht kreeg van ‘rechtse’ media als het AD en De Telegraaf; maar vooral van ‘linkse’ journalisten en columnisten (en overigens ook politici) bij VARA en NOS, Volkskrant, Trouw en NRC. Op elke uitspraak van de politicus reageerden ze met woede en vooral nogal wat letters, minuten en energie, een veel en veel betere zaak waardig. Zo gingen ze mee in wat ongetwijfeld een strategie van Wilders was: stevige uitspraken doen, op of over de rand van de xenofobie, en dan aandacht en steun scoren van het publiek, met dank aan de woedende reacties van je tegenstanders. Die dus duchtig in een vlek wreven waar ze misschien beter verre van waren gebleven. Om een andere metafoor te hanteren: Wilders fungeerde als een groot zwart gat waaruit geen licht ontsnappen kon. Dat schreef ik destijds ook op in een opinieartikel voor een landelijke krant, een artikel dat – story of my life 😉 – ongepubliceerd bleef.

 

Schreeuwen in De Zwijger

Weer een kleine vijf jaar verder belandde ikzelf in zo’n zwart gat. Jihadisten vermoordden tien medewerkers van het tijdschrift Charlie Hebdo, drie politiemensen, en vier Joden in een Parijse supermarkt. Ik was… woedend. Als voormalig journalist raakte mij het afslachten van journalisten; als burger die beseft hoe belangrijk politie is voor onze veiligheid, raakte mij de moord op de politieagenten; als mens die weet heeft van de Holocaust raakte mij de antisemitische terreurdaad. Boven alles raakte mij het wezenloze nemen van levens door mensen die daarmee hun eigen leven wezenloos maakten. Ik schreef er een vlammend artikel over voor The Post Online, en werd vervolgens uitgenodigd voor een discussieavond in Pakhuis De Zwijger. Had ik het daar maar bij zwijgen gelaten. Eens te meer echter nam mijn verontwaardiging de overhand. Het ging nauwelijks over (de oorzaken van en oplossingen voor) de terreurdaad die nog geen twee weken eerder had plaatsgevonden. Het ging wel over het onrecht dat Marokkaanse Nederlanders zou treffen, de moslims die nu gevaar liepen, en de  ondervertegenwoordiging van allochtonen in de media. Ik merkte (juist: woedend) op dat er wel net journalisten waren vermoord omdat ze journalist waren en Joden omdat ze Joods waren, en dat dit me het grotere onrecht en de eerste prioriteit leek. Waarop enkele sprekers (een van hen was Farid Azarkan, die later bekend zou worden als Kamerlid van Denk) honend suggereerden dat ik een racist en islamofoob zou zijn.

 

In de hoek waar de klappen vallen

Het gaat er hier eens te meer niet om wie er gelijk had, en wie er in de hoek zit waar de klappen vallen. Ik onthield van deze schreeuwerige avond in De Zwijger vooral hoe zinloos het is om op haat met verbetenheid te reageren. Dus het eerste wat ik deed toen ik weer thuis en zo’n beetje bijgekomen was, was inzetten op verzoening en verbinding. Ik organiseerde een reeks bijeenkomsten op de School voor Journalistiek waar ik destijds werkte: zonder publiek dat bijval of afkeuring zou geven, maar mét een groepje mensen dat aan de ene kant zeer verschillend was maar waarbij voor iedereen gold… we willen verder komen, als moslim of niet-moslim, als ‘witte’ of ‘zwarte’ Nederlander, als vrouw of man. Geen hond die het verder merkte buiten het lokaal waarin wij bijeenkwamen, maar wat voelde het goed om elkaar wat beter te begrijpen… juist gezien de pijn en de woede die er aan beide kanten bestond en die soms ook precies degene betrof die aan de andere kant van de tafel zat.

 

Denk niet wit, denk niet zwart…

En toen waren we weer vijf jaar verder en ging het middenin de coronacrisis over zwart en wit op een manier die vaak ook niet verder kwam dan zwart-wit. Meer dan eens schoten de woorden door me heen die Frank Boeijen schreef nadat in 1983 de Antilliaanse Kerwin Duinmeijer was vermoord, een gebeurtenis die ik me goed herinner omdat het bij mij de doorslag gaf om actief tegen racisme te worden: ‘Denk niet wit, denk niet zwart, denk niet zwart-wit’. In 2020 was mijn woede dezelfde als die van miljoenen anderen op de wereld die de beelden van George Floyd zagen met zijn “I Can’t Breathe…” Maar in het vervolg van die woede raakte ik verdrietig en teleurgesteld over de wijze waarop dit staaltje politiegeweld werd verbonden met white privilege en Zwarte Piet. Ik schreef er op deze site en in De Telegraaf een opinieartikel over: ‘Ik ben niet je witte’. Zowel de inhoud als het feit dat ik in De Telegraaf publiceerde, kwamen me op felle persoonlijke aanvallen te staan, aanvallen die ik soms fel en persoonlijk beantwoordde. Maar toen ik mijn opponenten vroeg wat we nu eigenlijk samen doen aan de crises van deze tijd, bleek uit hun antwoorden dat we een bezorgdheid delen, en dat we wellicht het racisme-vraagstuk verschillend benaderen maar dat we op het vlak van klimaat voor een deel dezelfde keuzes maken, als veganisten bijvoorbeeld.

 

Werken aan een gedeelde droom

En nu dan dit debat over de vertaling van een gedicht inmiddels weer zo’n beetje geluwd is, realiseer ik me dat we er echt goed aan doen om de blik gericht te houden op wat ons allen bedreigt (en degenen die al achtergesteld zijn, nog net wat meer): het virus, de oververhitting van de aarde, de economische misère die kan toeslaan waar corona en klimaat kosten opleveren, en niet te vergeten de woede als gevolg van dat alles die kan uitmonden in politiek die ons alleen maar verder verdeelt. We kunnen het ook positief stellen. Laten we voorbij onze verschillen samenwerken aan een gedeelde droom: de economie van het genoeg, een waarachtige democratie, kleurenrijkdom in plaats van kleurenblindheid of zwart-wit.

 

Wat zullen we samen doen?

Ooit ontdekte ik dat ik anderen tot razernij brengen kon. Soms alleen maar met een smalend lachje (dat sommige van mijn leraren op de middelbare school zo woedend maakte dat ze me een tik om de oren gaven, andere dat ze me schreeuwend het lokaal uitstuurden). Vaker met morele veroordeling of humor-ten-koste-van. Ja, dat kun je ook als een vaardigheid zien, als een kwaliteit. Vandaag de dag vermoed ik dat wie een dergelijke gave bezit, daar maar beter geen gebruik van maakt. Liever draag ik dus niet langer bij met mijn scherpe pen, mijn splijtende woordje of mijn ongecontroleerde woede. Ik tel tot tien. En dan stel ik je die ene vraag die me mét en voorbij het verschil aan de orde lijkt: wat zullen we samen doen?

 

Photo by Kelly Searle on Unsplash

 

 

 

 

 

 

 

 

Er gaan dagen voorbij dat ik niet denk aan Britney Spears. Toen ze eind jaren negentig doorbrak met ‘Baby One More Time’ luisterde ik naar andere muziek, en ook ‘Oops! I Did It Again’ kon me nauwelijks bekoren. Mocht ik ooit alsnog geïnteresseerd dreigen te raken in haar persoonlijkheid en wereldbeeld, dan deed dat ene korte fragment in Michael Moore’s Fahrenheit 9/11 de deur dicht. Meteen nadat hij een Iraakse vrouw had getoond die rouwde om haar familieleden, zojuist gedood bij een VS-bombardement (‘Waar ben je, Allah, waar ben je?!?’), monteerde Moore een fragment van de jonge zangeres in zijn documentaire. Al kauwgom kauwend, zegt ze: “Eerlijk gezegd vind ik dat we onze president moeten steunen bij elk besluit dat hij neemt. Blijf trouw, wat er ook gebeurt.”

 

Een gevalletje montagemoord

Toegegeven, dat was een typisch gevalletje montagemoord. Had de popdiva zelf de beelden gezien van wat haar president zojuist ver van huis had aangericht, dan had ze wellicht een heel ander commentaar gegeven. En mag je van een tienerster überhaupt afgewogen commentaar verwachten op wat zich buiten zijn of haar bubbel bevindt? Er zijn nogal wat mensen die menen dat de inmiddels 39-jarige zangeres eerherstel verdient. Begin deze maand bracht nota bene The New York Time een documentaire over Spears uit. Daarin valt onder meer op te tekenen dat ze eigenlijk een rolmodel is van autonomie en zelfaanvaarding; van niet willen behagen; van tolerantie ook voor mensen van welke minderheid dan ook, bij voorkeur groepen die we kunnen aanduiden met een nauwelijks uit te spreken brei van medeklinkers. Wel, dan heb je mijn interesse als filosoof. Dus toch maar even didactisch verantwoord gekeken naar de documentaire, die zeer toepasselijk en dubbelzinnig Framing Britney Spears is genoemd.

 

#FreeBritney

Als iets duidelijk wordt uit de docu, dan is het wel dat de hele showbizz-minnende wereld een beeld heeft van Britney Spears en haar daar koste wat kost in probeert te proppen, te framen dus. Dit betreft niet alleen de onvermijdelijke hele of halve vertrouwelingen van de popdiva; de fans die haar met een heuse #FreeBritney-campagne proberen te verlossen van de ijzeren greep waarin haar vader haar en vooral haar verdiensten houdt. Of de roddeltantes en paparazzi-fotografen voor wie Spears alweer meer dan twintig jaar een ‘verdienmodel’ is. Maar ook de zichzelf onvergelijkbaar veel serieuzer nemende vertegenwoordigers van de kletsende klasse, zoals Wesley Morris, recensent voor The New York Times. De videoclip van Baby One More Time, waarin een dan 16-jarige Britney ronddanst in een sexy variant op een schooluniform, voorziet Morris van het volgende commentaar: “Niet het seksuele maakt het cool, maar de controle en de zeggenschap over zichzelf en haar omgeving.”

 

Yeah Right…

Daar kunnen alle oudere mannen het mee doen die niet alleen deze jonge vrouw maar vooral zichzelf te kijk zetten met hijgerige vraagjes waarin de seksuele suggestie nooit ver weg is en zich in de regel hinderlijk naar de voorgrond dringt. De zestiger bijvoorbeeld die een 10-jarige Britney, nadat ze zojuist een ijzersterk stukje zang heeft neergezet, niets anders weet te vragen dan: “Ik zag vorige week dat je prachtige oogjes hebt. Heb je ook een vriendje?” “Nee, ze zijn gemeen.” “Ik ben niet gemeen, wat dacht je van mij?” Een volgende heer op leeftijd, enkele jaren verder: “Voor velen ben je een tegenstrijdigheid. Aan de ene kant ben je de lieve, onschuldige maagd; aan de andere kant een sexy vamp in ondergoed.” Een andere commentator, ditmaal een oudere dame:  “Er zit zeker een paradox in hoe ze werkt.” Correctie door een andere dame aan de talk show-tafel: “Hoe ze zich kleedt…” De eerste vrouw weer: “Zo onschuldig lijkt ze niet.” En dan is er onze eigen Ivo (Niehe), die zijn fifteen seconds of being (in)famous opluistert met een: “Iedereen heeft het erover.” Spears: “Waarover?” “Nou… je borsten…”

 

Je innerlijke Ivo

‘Bevrijd jezelf van je innerlijke Ivo,’ schreef Volkskrant-columnist Loes Reijmer, na het bekijken van de documentaire. Immers: “De echte pijn zit in de vanzelfsprekendheid waarmee Spears wordt geacht verantwoording af te leggen over haar lijf, de onbeheersbare drang om ons te bemoeien met vrouwenlichamen, ze te bestuderen, evalueren en becommentariëren, centimeter voor centimeter, in de hoop wijzer te worden over het lijdend voorwerp, iets te onthullen of haar bestraffend te kunnen toespreken.” Helemaal raak. Maar slechts de helft van het verhaal. Want op het gevaar af om nu, als ‘oudere man’ nog wel, een nieuw hoofdstukje toe te voegen aan het framen, het bestuderen, evalueren en becommentariëren, en iemand bestraffend toe te spreken die we natuurlijk niet echt kennen, wat we ons ook verbeelden… de ‘seksualisering’ van Britney Spears is in sterke mate haar eigen werk en van al die anderen in haar entourage die nu al bijna een kwart eeuw aan haar verdienen.

 

Oops! I Did It Again

Je zou dat ‘controle’ en ‘zeggenschap’ kunnen noemen, of zelfs ‘autonomie’ – om dit filosofische concept maar eens los te laten op de vertolker van Oops! I Did It Again. Vergelijkbare theorieën en theorietjes zijn de voorbije decennia toegepast op andere zangeressen die hun seksualiteit in de strijd gooiden, zoals eerst Madonna en later Beyoncé. Ik zie vooral zakenvrouwen die weten dat ze met hun lichamelijke aantrekkingskracht aandacht, bevestiging én heel veel centjes kunnen binnenhalen. Zo was Britney Spears het uithangbord van onder meer ondernemingen als Clairol, Polaroid en Pepsi. Met commercials voor de colafabrikant verdiende zij tussen 2001 en 2002 7 tot 8 miljoen dollar, tot ze er plaats maakte voor… Beyoncé. Dat was de reden dat toen we in 2003 met De wereld is niet te koop actie voerden tegen een straatbepalende steigerreclame van Pepsi in het hartje van onze stad, we ons gekscherend tooiden met de naam Britney Spears Brigade. Zowel de clips als de commercials van Spears toonden haar in de regel met zo weinig mogelijk kleren aan. Datzelfde gold voor de journalistieke covers die ze vulde, zoals die van Rolling Stone. Wanneer ze in 1999 op de voorkant van dit blad staat en een (ditmaal vrouwelijke) interviewer haar vraagt naar haar ‘Lolita-look’, antwoordt ze: “We zijn allemaal meiden en dat is een deel van wie we zijn. Je liegt als meisje als je zegt dat je je niet sexy wil voelen.”

 

Onze binnenste Britney

Ook weer helemaal waar, en hetzelfde zou kunnen gelden voor net wat oudere vrouwen, voor jonge jongens en zelfs voor – ik zeg maar wat – het jongetje in het lijf van een 54-jarige man: je mooi of zelfs ‘sexy’ willen voelen, daar is niets mis mee. Wat ik problematischer vind is de manier waarop hele volksstammen zich in onze samenlevingen voortdurend bezighouden met hoe ze eruitzien en of anderen daar wel of niet opgewonden van kunnen en zullen raken. Niet alleen omdat je jezelf hiermee tekort doet als een mens die zoveel meer is dan zijn of haar borsten, billen en benen; maar ook omdat je er anderen die wellicht wat minder goed scoren op ‘uiterlijke schoonheid’, nadrukkelijk mee inwrijft wat zij missen. Je zou kunnen zeggen dat het niet alleen de kunst is om ons te bevrijden van onze innerlijke Ivo, maar ook van onze binnenste Britney, dat meisje of dat jongetje dat constant probeert te behagen en te verleiden. Of, zoals feministe Germaine Greer een paar jaar geleden opmerkte, naar aanleiding van Spears’ collega Beyoncé: “I think she is a fantastic musician. Beautiful voice, as true as a bell. But why has she always to be fucking naked and have her tits hanging out? Why?”

 

Werken met aasgieren

Goede vraag. Eén antwoord: wie van jongs af aan ontdekt dat hij iets te winnen heeft met haar of zijn looks, is geneigd daarvan gebruik te blijven maken, zeker als het op een zeker moment om veel geld en veel aandacht gaat. Wesley Morris, wanneer hij refereert aan het moment dat Spears zich in 2007 ineens kaal schoor: “Met haar kale hoofd zegt ze in feite: ik kap ermee. Als jullie denken dat ik terugkom en weer die persoon ben: vergeet het. Die persoon is er niet meer. Jullie hebben haar kapotgemaakt. Als mensen haar alleen maar als gestoord kunnen zien… kom ik tot de conclusie dat ze om te beginnen deel uitmaakte van een samenleving van aasgieren.” Zijn eigen Engelse formulering is – waarschijnlijk onbedoeld – veelzeggend: “What a vulturous society she was working with to begin with.” Ze werkte ermee, dat wil zeggen, Spears gebruikte en bespeelde het soort aandacht dat haar ten deel viel: voor haar lichaam, en niet zozeer voor haar stem of meningen. Het maakt beweringen over de ‘objectivering’ van de ster toch op z’n zachtst gezegd wat eenzijdig.

 

Put your erection in my direction

Dit is iedere keer weer de zigzagbeweging rondom showbizz-sterren als Spears: ofwel ze worden gezien als willoze objecten en slachtoffers; ofwel als volstrekt autonome ‘Power Vrouwen’ die ook – juist – in control zijn als andere vrouwen of mannen op hen geilen. Het is maar wat voor aandacht je wenst. Het punt is dat het fenomeen genuanceerder is dan dat: ‘sekssymbolen’ maken zichzelf tot een lustobject, terwijl degenen die hen als zodanig behandelen (de Ivo’s van deze wereld) al evenmin de beste versie van zichzelf laten zien. Die sekssymbolen kunnen dus ook mannen zijn. Ik moet even denken aan de boodschap die een Nederlands pubermeisje op een stuk karton schreef toen ze naar een optreden toog van haar idool, Harry One Direction Styles: put your erection in my direction. Reken maar dat Harry zich bewust was van wat hij in jonge meiden losmaakte (en anders wel zijn manager), hoe ongemakkelijk hij zich er ook bij tijd en wijle bij zal hebben gevoeld.

 

Kant over Britney

Dat brengt me op Immanuel Kant. Ruim 200 jaar geleden beschreef de filosoof zijn ‘categorische imperatief’ als een alternatief voor iets wat we nogal eens geneigd zijn te doen: anderen als middel tot ons doel beschouwen, en gebruiken. Maar hij ging nog iets verder. Kant raadde ons ook aan om onszelf niet als middel voor andermans doel te presenteren: “Handel zo dat jij het mens-zijn, zowel in je eigen persoon als in de persoon van ieder ander, altijd tegelijk als doel, nooit als louter middel gebruikt.” Natuurlijk wist Kant dat we constant kijken wat we aan anderen kunnen hebben, en dat we ook maar al te goed weten wat wij die anderen te bieden hebben. Daarom zegt hij ook ‘altijd tegelijk als doel, nooit als louter middel’. Wat ik vooral in Kants gebod lees, is de aansporing om mensen te blijven zien als de hele mens die ze zijn, in plaats van hen steeds en slechts te reduceren tot (een moment van) seksueel genot. Dat is op de eerste plaats iets wat je je zelf kunt voorhouden: de bereidheid om jezelf niet te etaleren als een lustobject… of je nu vrouw bent of man; bi, homo of hetero. Het is ook het anderen beoordelen op wat ze veel meer zijn dan alleen een al dan niet fraaie man of vrouw. Dit geeft weer een hele andere betekenis aan het #FreeBritney of het ‘Bevrijd jezelf van je innerlijke Ivo’: jezelf niet verliezen in het lichaam van een ander, maar al evenmin in wat jouw eigen lichaam allemaal wel niet met anderen ‘moet’ doen.

 

De Britney Spears Brigade

Ironisch genoeg is het Michael Moore die in Framing Britney Spears een van de verstandigste dingen zegt van alle talking heads die erin te beluisteren zijn. In 2008 – vier jaar nadat hij haar onbarmhartig wegzette als dom wicht in zijn eigen Fahrenheit – is hij te gast bij Larry King. Die bespreekt Spears’ opname in het ziekenhuis vanwege psychische problemen, met als gevolg een onder-curatele-plaatsing door haar vader. Moore: “Waarom laten we haar niet met rust? Laat haar verder gaan met haar leven.” De grap is dat de diva zelf er in de jaren die volgden, alles aan heeft gedaan om níet met rust gelaten te worden en dat ze dit eens te meer minstens zowel met haar seks als met haar stem heeft bewerkstelligd.

 

Maar ik denk dat het nu tijd wordt om de daad bij het woord te voegen en tot een heroïsche laatste veldslag te komen van wat eens de Britney Spears Brigade was. Laat haar met rust, en als je van haar muziek houdt, luister dan simpelweg naar haar muziek in plaats van je blind te staren op haar lijf. Ik op mijn beurt raad je aan om ook eens naar een andere documentaire te kijken. Bij voorkeur over vrouwen die niet met hun looks paraderen maar prachtige ideeën én daden presenteren. Het denkende hart van Etty Hillesum bijvoorbeeld. Nothing is Forgiven, over de strijd van Zineb el Rhazoui tegen jihadistische moordenaars en deugneuzen met slappe knieën. Of I Am Greta (need I say more?). Want we zijn zoveel meer en zoveel mooier dan alleen ons lichaam en ons verlangen naar een lichaam.

Vergeef me virus, maar mag ik je bij dezen ‘klootzak’ noemen? Verknalde je eerder dit jaar al de presentatie van mijn boek, nu draai je het definitief de nek om, net nu ik er alsnog over kon vertellen op het Brainwash-festival, een plek waar ik al jaren hoopte op te treden. Zojuist kreeg ik te horen dat het niet doorgaat, zondag. Daar gaat een jaar lang denken en schrijven, daar gaat alle energie, liefde en creativiteit die ik in dit boek gestoken heb. Je wordt bedankt.

Zoals zo vaak hoorde ik de raakste opmerking het dichtst bij huis. Het was mijn vrouw die me gisteren zei, toen we nog even napraatten over de persconferentie van de minister-president: Ik zou een hele lange winterslaap willen houden. En dan wakker worden en weten dat het allemaal een boze droom is geweest.

Natuurlijk weten we beter. We beseffen echt wel dat jij niet weggaat door onze ogen heel lang dicht, en daarna weer open te doen. We zullen ook niet op korte termijn immuniteit verkrijgen, we kunnen hoogstens de benodigde weerstand opbrengen voor deze crisis en die van economie, politiek en natuur die er nog op gaan volgen.

Mijn eerste reactie gisteren was net zo min als toen de lockdown zeven maanden geleden van start ging, de fraaiste. Ik dacht eerst en vooral aan mezelf.  In maart baalde ik van de opdrachten die ik zag verdampen, de optredens die werden afgelast, dat De wereld omgekeerd niet gepresenteerd kon worden, en er ook nauwelijks aandacht in de media voor was aangezien alle ogen op ‘het virus’ werden gericht. Op jou, met andere woorden, jij onverdraaglijke aandachtstrekker en drama queen. Dus zeg nou niet dat je me niet begrijpt, in mijn vlaag van zelfvergroting en zelfmedelijden.

Zo zie ik nu dit najaar het voorjaar zich herhalen: opnieuw worden optredens afgelast waar ik alsnog over mijn boek kon praten. Openbare interviews, het hele Brainwash-festival. Soms verbeeld ik me – in een aanval van narcisme – dat  God, de duivel of het virus, jij dus, hoogstpersoonlijk samenspannen om mijn boek voor eens en altijd een voetnootje in de geschiedenis te laten blijven. Yeah right, like they do care…

En dan realiseer ik me dat ik maar beter in de praktijk kan brengen wat ikzelf preek: “We moeten onder ogen zien dat dit crisiscomplex het nieuwe normaal is en dienen vervolgens boven onszelf uit te stijgen.” Dit betekent niet kritiekloos volgen wat ‘de autoriteiten’ ons uitleggen en opdragen. Het is prima om kanttekeningen te zetten bij een ethos dat koste wat kost levens wil behouden en verlengen, vanuit de onwil of het onvermogen om de dood te aanvaarden als deel van het leven. De vraag is wél of je ook een dergelijke onthechting oog in oog met ‘de dood’ ook kunt opbrengen wanneer het je eigen leven betreft, of dat van je geliefden, mocht je jou – het virus – aan den lijve hebben leren kennen.

Het is ook uiterst legitiem en zelfs noodzakelijk om de enorme kosten van de huidige beperkingen in kaart te willen brengen: of dit nu de economische pijn betreft die we onszelf aandoen en die onevenredig hard aankomt bij de vele miljoenen kwetsbaren in de Derde Wereld of bij zzp’ers, cultuurwerkers en horeca-mensen in ons eigen Nederland; de eenzaamheid en ‘huidhonger’ die we vrijwel allemaal ervaren, nu we al weer maandenlang alleen onze eigen gezinsleden mogen aanraken; en de privacy en vrijheid die we aangewakkerd door angst in een oogwenk opgeven, zonder te weten of en wanneer we ze ooit weer zullen bezitten.

Ik vraag me wel eens af wat het voor sommigen op de social media zo makkelijk maakt om maar op een mondkapjesplicht te hameren die – voor zover ik weet – in bijvoorbeeld Frankrijk en Spanje nu ook niet echt het virus een halt heeft weten toe te roepen. Voelen zij niet de ontmenselijking door het stukje stof dat het ons onmogelijk maakt elkaar vrijuit en voluit aan te kijken of te laten zien? Lijden zij aan een vorm van catastrofilie, een diep gevoel verlangen om onszelf en vooral anderen zo heftig mogelijk de duimschroeven aan te draaien, een heerlijke roes van rampdenken waardoor ze het gevoel krijgen dat ze pas echt leven waar ze tot nog toe vooral hadden gevegeteerd? Zijn ze jou, virus, eigenlijk dankbaarder dan ze zouden willen toegeven, waar ik vooral de pest aan je heb?

Nee, dat zal het niet zijn. Ze zijn vast – net als ik – bang voor je. Bezorgd om zichzelf en elkaar. En ze willen een bijdrage leveren aan de oplossing van deze crisis die ernstiger lijkt dan alles wat de meesten van ons tot nog toe in hun leven hebben meegemaakt. Misschien is het zo dat we overal ter wereld maar wat doen – of het nu de ‘strenge’ aanpak van de een is, dan wel de losse van de ander – en dat we onszelf slechts wijs maken dat we enige controle kunnen uitoefenen op die kroonvormige etterbak die jij bent: grillig, machtig en willekeurig als weinig anderen.

Maar dan nog moeten we het op zijn minst proberen, beste virus. Dus zal ik met frisse tegenzin mijn masker dragen. Schuif ik voor de zoveelste keer aan voor mijn scherm waar ik zoveel liever met anderen fysiek in een ruimte had verkeerd. En probeer ik als het filosoofje dat ik ben een bijdrage te leveren aan degenen die met hun vitale beroep aan de frontlijn staan waar ze jou bevechten. Dan maar vergeten wat dit jaar voor mij had moeten worden. In de wetenschap dat er miljoenen mensen zijn die veel slechter af zijn dan ikzelf, dat mijn gezin goddank gezond is en dat het er niet toe doet hoeveel ik krijg maar wat ik geef. Dank je virus, voor deze les die je me eens te meer hebt ingepeperd. En als je nog eens een boodschap voor me hebt, schrijf me dan vooral snel terug.