Vergeef me virus, maar mag ik je bij dezen ‘klootzak’ noemen? Verknalde je eerder dit jaar al de presentatie van mijn boek, nu draai je het definitief de nek om, net nu ik er alsnog over kon vertellen op het Brainwash-festival, een plek waar ik al jaren hoopte op te treden. Zojuist kreeg ik te horen dat het niet doorgaat, zondag. Daar gaat een jaar lang denken en schrijven, daar gaat alle energie, liefde en creativiteit die ik in dit boek gestoken heb. Je wordt bedankt.

Zoals zo vaak hoorde ik de raakste opmerking het dichtst bij huis. Het was mijn vrouw die me gisteren zei, toen we nog even napraatten over de persconferentie van de minister-president: Ik zou een hele lange winterslaap willen houden. En dan wakker worden en weten dat het allemaal een boze droom is geweest.

Natuurlijk weten we beter. We beseffen echt wel dat jij niet weggaat door onze ogen heel lang dicht, en daarna weer open te doen. We zullen ook niet op korte termijn immuniteit verkrijgen, we kunnen hoogstens de benodigde weerstand opbrengen voor deze crisis en die van economie, politiek en natuur die er nog op gaan volgen.

Mijn eerste reactie gisteren was net zo min als toen de lockdown zeven maanden geleden van start ging, de fraaiste. Ik dacht eerst en vooral aan mezelf.  In maart baalde ik van de opdrachten die ik zag verdampen, de optredens die werden afgelast, dat De wereld omgekeerd niet gepresenteerd kon worden, en er ook nauwelijks aandacht in de media voor was aangezien alle ogen op ‘het virus’ werden gericht. Op jou, met andere woorden, jij onverdraaglijke aandachtstrekker en drama queen. Dus zeg nou niet dat je me niet begrijpt, in mijn vlaag van zelfvergroting en zelfmedelijden.

Zo zie ik nu dit najaar het voorjaar zich herhalen: opnieuw worden optredens afgelast waar ik alsnog over mijn boek kon praten. Openbare interviews, het hele Brainwash-festival. Soms verbeeld ik me – in een aanval van narcisme – dat  God, de duivel of het virus, jij dus, hoogstpersoonlijk samenspannen om mijn boek voor eens en altijd een voetnootje in de geschiedenis te laten blijven. Yeah right, like they do care…

En dan realiseer ik me dat ik maar beter in de praktijk kan brengen wat ikzelf preek: “We moeten onder ogen zien dat dit crisiscomplex het nieuwe normaal is en dienen vervolgens boven onszelf uit te stijgen.” Dit betekent niet kritiekloos volgen wat ‘de autoriteiten’ ons uitleggen en opdragen. Het is prima om kanttekeningen te zetten bij een ethos dat koste wat kost levens wil behouden en verlengen, vanuit de onwil of het onvermogen om de dood te aanvaarden als deel van het leven. De vraag is wél of je ook een dergelijke onthechting oog in oog met ‘de dood’ ook kunt opbrengen wanneer het je eigen leven betreft, of dat van je geliefden, mocht je jou – het virus – aan den lijve hebben leren kennen.

Het is ook uiterst legitiem en zelfs noodzakelijk om de enorme kosten van de huidige beperkingen in kaart te willen brengen: of dit nu de economische pijn betreft die we onszelf aandoen en die onevenredig hard aankomt bij de vele miljoenen kwetsbaren in de Derde Wereld of bij zzp’ers, cultuurwerkers en horeca-mensen in ons eigen Nederland; de eenzaamheid en ‘huidhonger’ die we vrijwel allemaal ervaren, nu we al weer maandenlang alleen onze eigen gezinsleden mogen aanraken; en de privacy en vrijheid die we aangewakkerd door angst in een oogwenk opgeven, zonder te weten of en wanneer we ze ooit weer zullen bezitten.

Ik vraag me wel eens af wat het voor sommigen op de social media zo makkelijk maakt om maar op een mondkapjesplicht te hameren die – voor zover ik weet – in bijvoorbeeld Frankrijk en Spanje nu ook niet echt het virus een halt heeft weten toe te roepen. Voelen zij niet de ontmenselijking door het stukje stof dat het ons onmogelijk maakt elkaar vrijuit en voluit aan te kijken of te laten zien? Lijden zij aan een vorm van catastrofilie, een diep gevoel verlangen om onszelf en vooral anderen zo heftig mogelijk de duimschroeven aan te draaien, een heerlijke roes van rampdenken waardoor ze het gevoel krijgen dat ze pas echt leven waar ze tot nog toe vooral hadden gevegeteerd? Zijn ze jou, virus, eigenlijk dankbaarder dan ze zouden willen toegeven, waar ik vooral de pest aan je heb?

Nee, dat zal het niet zijn. Ze zijn vast – net als ik – bang voor je. Bezorgd om zichzelf en elkaar. En ze willen een bijdrage leveren aan de oplossing van deze crisis die ernstiger lijkt dan alles wat de meesten van ons tot nog toe in hun leven hebben meegemaakt. Misschien is het zo dat we overal ter wereld maar wat doen – of het nu de ‘strenge’ aanpak van de een is, dan wel de losse van de ander – en dat we onszelf slechts wijs maken dat we enige controle kunnen uitoefenen op die kroonvormige etterbak die jij bent: grillig, machtig en willekeurig als weinig anderen.

Maar dan nog moeten we het op zijn minst proberen, beste virus. Dus zal ik met frisse tegenzin mijn masker dragen. Schuif ik voor de zoveelste keer aan voor mijn scherm waar ik zoveel liever met anderen fysiek in een ruimte had verkeerd. En probeer ik als het filosoofje dat ik ben een bijdrage te leveren aan degenen die met hun vitale beroep aan de frontlijn staan waar ze jou bevechten. Dan maar vergeten wat dit jaar voor mij had moeten worden. In de wetenschap dat er miljoenen mensen zijn die veel slechter af zijn dan ikzelf, dat mijn gezin goddank gezond is en dat het er niet toe doet hoeveel ik krijg maar wat ik geef. Dank je virus, voor deze les die je me eens te meer hebt ingepeperd. En als je nog eens een boodschap voor me hebt, schrijf me dan vooral snel terug.

I know the one thing we did right. Was the day we started to fight. Keep your eyes on the prize. Hold on. Hold on. Ik moet negentien zijn geweest, twintig misschien, toen ik deze woorden voor het eerst hoorde. Het was mijn eerste jaar op de School voor Journalistiek, en mijn docente Engels plaatste een videoband in de recorder. Het was de documentaire ‘Eyes on the Prize’, over de geschiedenis van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Over hoe Rosa Parks eind 1955 in de bus weigerde op te staan voor een blanke, zoals van haar als zwarte vrouw werd verwacht. Wat vervolgens tot een bus-boycot in Montgomery leidde, met Martin Luther King als leider en na ruim een jaar het gewenste resultaat: opheffing van rassendiscriminatie in het openbaar vervoer van de stad. De jaren erna, met bijvoorbeeld de mars op Washington in 1963, en King’s I Have a Dream. De moord – anno 1964 – in Mississippi op drie jonge burgerrechtenactivisten, de zwarte James Chaney en de blanke (en Joodse) Michael Schwerner en Andrew Goodman. De geweldloze demonstraties tegen de discriminatie van zwarte stemmers in Selma, met een hoofdrol voor de jonge studentenleider John Lewis, later jarenlang afgevaardigde in Washington en onlangs overleden. Eyes on the Prize maakte destijds – in 1986 of 1987 – mijn betrokkenheid wakker met de strijd van zwart en blank voor de gelijkheid van zwart en blank.

 

‘Ik hou van spruitjes. Mag dat?’

Het was diezelfde betrokkenheid die me in 1992 inspireerde om mee te doen aan de grootste demonstratie die Nederland ooit heeft gekend tegen racisme, in 1992 op het Museumplein: 50.000 (politie) tot 100.000 mensen (organisatie). Weer een paar jaar later kreeg ik de kans om zelf mee te organiseren. Ik coördineerde het inhoudelijke programma van de manifestatie die Nederland Bekent Kleur organiseerde in Amsterdam-Zuidoost. In mijn dagboek beschreef ik mijn motivatie én mijn missie voor die dag: “Ik besef wat ik vaak vergeet: hoe vijandig veel mensen in Nederland tegenover ‘vreemdelingen’ staan. Die mensen – al is het er maar één – bereiken zonder met ze mee te huilen: dat is mijn eigen utopie voor aanstaande zaterdag.” Het werd een mooie manifestatie. Ruim 10.000 mensen uitten hun geloof in raciale gelijkheid en hun afkeer van discriminatie. Ik zal nooit vergeten hoe de dag eindigde. Even voor ik rond tien uur ’s avonds het veld in Zuidoost verliet, zag ik de laatste bezoeker weggaan: een gekleurde man die uren had staan dansen en drinken, enorme laarzen aan zijn voeten en een fez op zijn hoofd. Met een halflege fles sterke drank in zijn hand zwalkte hij weg. Opgewekt riep hij: “Ik hou van spruitjes. Mag dat?

 

I can’t breathe in tijden van corona

En toen was het 25 mei 2020, en moesten we opnieuw kleur bekennen. In Minneapolis doodde de blanke politieagent Derek Chauvin de zwarte George Floyd. Bijna negen minuten lang drukte Chauvin zijn knie op de keel van de man die hij gearresteerd had. De beelden blijven pijnlijk, hoe vaak je ze ook bekijkt, zeker als je het I can’t breathe van Floyd hoort. Zou het toeval zijn dat de aanblik van iemand die geen adem kan halen, juist in deze tijd zo schokkend is, een tijd waarin een virus dat je de adem beneemt, alom aanwezig is; en zo niet het virus zelf, dan wel de angst ervoor? En ligt het niet voor de hand dat juist in een wereld waarin we ons allemaal wel onderdrukt voelen, door lockdowns, anderhalvemeter-beperkingen en mondkapjes, de woede extra groot wordt – bij zwart én blank – wanneer je wordt geconfronteerd met het zoveelste staaltje onderdrukking na honderden jaren slavernij, segregatie en discriminatie?

Dit laatste althans suggereerde de Surinaams-Nederlandse Jennifer Campbell in een gesprek dat we vorige maand hadden: een gesprek dat er op haar initiatief kwam nadat ik op deze site mijn hartenkreet ‘Ik ben niet je witte’ had gepubliceerd. Campbell is expert in verandering en systemisch leiderschap (onderwerpen die vandaag de dag relevanter lijken dan ooit). Ze wilde met me van gedachten wisselen over wat zij ‘systemisch racisme’ noemt, en daarover – plus onze eigen posities als ‘zwarte’ of ‘witte’ ­­– hadden we het ook, in een gesprek vol herkenning en soms verrassing, met humor maar ook met besef van de pijn, kwetsbaarheid en gekwetstheid die het onderwerp eigen zijn.

 

Selectieve verontwaardiging en weinig historisch besef

Terwijl Jennifer en ik het op heel veel vlakken eens waren, zie ik ook de enorme polarisatie. Sterker nog: ik sta er middenin en lever er een bijdrage aan. Hoezeer ik namelijk ook zelf door de dood van George Floyd was geraakt, en hoezeer ik me ook deelnemer voel aan een historische estafette van verzet tegen racisme, telkens wanneer en overal waar dit zich aandient: als ik naar de meeste demonstraties van Black Lives Matter keek, zag ik vooral selectieve verontwaardiging (wel over blank politiegeweld, niet over het veel massaler geweld van black on black, door met name gang violence); omgekeerd racisme, tegenover ‘witten’ die per definitie bevoorrecht zouden zijn en namens ‘mensen van kleur’ die als enigen zouden weten wat onderdrukking is; en ik zag een fixatie op de ‘juiste’ woorden, inclusief grote of juist kleine letters (wel Zwart, niet wit) terwijl we naar mijn idee vooral daden moeten loslaten op de grote crises van deze tijd: corona, economische depressie, en de oververhitting van onze planeet. Ik hoorde kortom heel veel Malcolm-X, Elijah Muhammad en Stokely Carmichael; en heel weinig Martin Luther King of Rosa Parks, om het maar weer even te zeggen in de termen van Eyes on the Prize.

En, dat ook, ik miste gevoel voor verhoudingen en ik miste historisch besef. Zie bijvoorbeeld ook toen in datzelfde Zuidoost waar we 25 jaar geleden ruim 10.000 mensen bijeenbrachten, de volgende woorden klonken: “Nooit eerder zijn zoveel mensen de straat opgegaan om te demonstreren tegen anti-zwart racisme. Wij zijn deze dagen geschiedenis aan het schrijven.” O ja? Ik vertelde daarnet al over de hoeveelheden mensen die in ’92 en ’95 demonstreerden tegen racisme, niet alleen tegen ‘anti-zwart racisme’ overigens. Wat zegt het over een beweging als ze haar klassiekers niet kent, wanneer ze de eigen prestaties witwast en die van eerdere generaties uitwist? Moet hier de mythe aan de man worden gebracht dat Nederland tot 2020 een racistisch land was, waar niemand opkwam voor de rechten van ‘mensen van kleur’? Zou het niet eerlijker zijn te erkennen dat al heel lang bruine én  blanke Nederlanders raciaal onrecht herkennen én bestrijden, ook vóór een nieuwe generatie activisten bedacht dat Zwarte Piet het doelwit moest zijn, evenals ‘wit privilege’?

 

De ene keer als tragedie, de andere keer als grap

Het werd nog erger toen de golf van woede over de dood van Floyd naadloos overging in een golf van repressie, in de slechtste traditie van cancel culture: standbeelden die werden beklad, journalisten en docenten die hun baan verloren of daarmee bedreigd werden, humor die niet meer zou ‘kunnen’. Mijn oude oom Karel mocht altijd graag opmerken dat alle wereldhistorische feiten en personen tweemaal plaatsvinden: de ene keer als tragedie, de andere keer als grap. Oordeel zelf maar tot welke van de twee de typisch Nederlandse wijze behoort waarop de ‘antiracistische’ repressie zich hier voordeed: met de fittie tussen Johan Derksen en Akwasi Owusu Ansah, gevolgd door het van de tv verbannen van die eerste en de demonisering van allebei; met een anonieme kliklijn voor journalisten om hun ‘institutioneel racistische’ collega’s aan te geven; of met een lijst van ‘prominenten’ tegen zulke cancel culture, waarbij zangeres Marga Bult prijkte naast (over kliklijnen gesproken) Thierry Baudet. Nee, dan Amerika, waar het gerechtvaardigde verzet tegen verstikkende ‘goedmensen’ wordt aangevoerd door mensen als Thomas ‘Ex-Black’ Chatterton Williams, Noam Chomsky, Salman Rushdie en Margaret Atwood, stuk voor stuk intellectuelen met een stevige staat van dienst als het om verzet gaat tegen onrecht in het algemeen en racisme in het bijzonder.

 

Talking to Strangers

Wat ik in mijn eigen omgeving heb meegemaakt: de vervreemding tussen vrienden, gevoed door het geschreeuw op (niet zo) sociale media. Het ineens niet meer rustig en respectvol naar elkaar kunnen luisteren, het aanvallen en je aangevallen voelen, het idee dat je alleen door je kleur al tot een bepaald kamp mag worden gerekend, wat je karakter ook moge zijn. In 2004 publiceerde de Amerikaanse politiek filosofe Danielle Allen Talking to Strangers. Ze betoogt hierin dat wanneer burgers elkaar te veel gaan wantrouwen, dit de democratie zal aantasten. Vrienden worden vreemden voor elkaar, en vreemden lijken ineens ‘vijanden’. Samenwerking wordt dan alsmaar lastiger, polarisatie en zelfs geweld liggen op de loer. Wat Allen zestien jaar geleden beschreef, is in de jaren erna in haar eigen Amerika steeds vaker realiteit gebleken. Democraten en Republikeinen, links en rechts en vaak ook blank en bruin staan er lijnrecht tegenover elkaar, praten over maar zelden met elkaar, tenzij je – ‘live’ of via social media – schreeuwen ook als spreken ziet.

Het alternatief, volgens de auteur van Talking to Strangers: praat met mensen die je vreemd zijn, en in het bijzonder diegenen van wie je zo vervreemd bent geraakt dat je ze ‘vijanden’ noemt. De beste manier om anderen duidelijk te maken dat ze je vertrouwen kunnen, is je betrouwbaar tonen. Hetgeen in de regel niet zozeer met woorden, als wel met daden lukt. Allen: “But in order to prove oneself trustworthy, one has to know why one is distrusted. The politics of friendship requires of citizens a capacity to attend to the dark side of the democratic soul.” Het begint dus allemaal met luisteren, naar de verhalen van anderen. Maar – en dit besef mis ik bij Black Lives Matter – daarbij heeft niemand het alleenrecht om te spreken en kan ook niemand worden opgelegd dat hij louter en bij voorbaat schuldbewust moet luisteren. We hebben allemaal ervaringen met kwetsen en gekwetst worden: en juist dit gedeelde lot zou ons tot medemenselijkheid kunnen brengen. Een prachtig voorbeeld daarvan is het verhaal van Elizabeth Eckford en Hazel Bryan. In 1957 troffen ze elkaar als tegenstanders, of zelfs vijanden, in Little Rock. De zwarte Eckford demonstreerde daar voor het recht op goed onderwijs, de blanke Bryan schold haar met een van haat vertrokken gezicht uit. De foto van de confrontatie tussen beiden werd iconisch. Maar jaren later zocht Hazel Bryan Elizabeth Eckford op, en bood haar excuses aan. De twee werden uiteindelijk goede vriendinnen.

Nu is het mijn zorg of wij in Nederland en daarbuiten bereid zijn als gelijken het gesprek aan te gaan; en vervolgens, dat is het belangrijkste, of we in staat zijn om de samenleving die we delen overeind te houden; in de moeilijke tijden die we beleven en de nog moeilijker tijden die komen gaan. De beste manier om dat te doen, heb ik ooit geleerd van die tv-serie die me de wereld van Parks en King in trok, is een gezamenlijk gevecht voor de goede zaak. Keep your eyes on the prize.

Stel je voor: iemand scheldt je uit of geeft je een klap. Voor de meesten van ons is de eerste reflex om terug te schelden of te slaan. We reageren vaak met negativiteit op wat we als negativiteit ervaren. Ikzelf vorm daarop geen uitzondering, integendeel. Hoe vaak ik me niet gekwetst heb gevoeld en heb geprobeerd te kwetsen, hoe vaak ik niet woedend ben geworden en vanuit woede heb gereageerd. En zelden bracht het me verder. Meestal bleven er minstens twee partijen gewond achter en losten we ons probleem niet op.

 

Het kwaad in Jaap van Dissel

Ook de voorbije maanden heb ik me niet onbetuigd gelaten als het erom ging ‘kwaad’ met ‘kwaad’ te beantwoorden. Schrijvend over de coronacrisis heb ik kwaadaardigheid gelokaliseerd in – of all people – Jaap van Dissel en Eric Wiebes, vanuit mijn oprechte zorg over een anderhalvemetersamenleving die misschien op korte termijn nodig is maar ons op lange termijn van onze vrijheid en intimiteit berooft. In het debat over racisme heb ik stelling genomen tegen antiracisten die in mijn ogen verdelen in plaats van te verbinden; maar door de stevige wijze waarop ik stelling nam, heb ik niet alleen troost en inzicht geboden aan sommigen; maar ook anderen gekwetst en van me vervreemd; en heb ik zo al met al bijgedragen aan de verdeeldheid onder ons allen samen.

 

Pick your fights

Deze tijd – met zijn wirwar van met elkaar verbonden crises – vraagt om eenheid en verbinding. Dat is de enige manier waarop we corona, economische depressie, politieke explosiviteit en de klimaatcrisis tegemoet kunnen treden met enige kans op succes. Ofwel we werken en vechten samen, ofwel we gaan samen ten onder. Natuurlijk betekent dit niet dat we het overal over eens moeten raken of dat we volmaakte mensen zijn of zullen worden. Het betekent wel: pick your fights. In mijn ogen is dat dus vaststellen wat voor ons overleven en voor ons met liefde leven cruciaal is, en wat in dat licht triviaal is.

 

Kwaad én goed herkennen

Ik ga voor een economie van het genoeg – genoeg voor degenen die nu te weinig hebben en genoeg voor de natuur. Ik ga voor een democratie die liberaal is zonder elitair te zijn, en die naar massaal draagvlak zoekt uit principe maar ook omdat dit de enige manier is om de crises op te lossen die ons bedreigen. Ik ga voor de samenwerking van mensen die gerust mogen verschillen qua kleur, religie, sekse en seksuele of politieke voorkeur. En, dat is mijn filosofische basis: ik ga voor het goede zonder het kwade te ontkennen – in mezelf en in anderen. De kunst is – dit vormt ook de grondgedachte van mijn laatste boek, ‘De Wereld Omgekeerd’ – om in alles wat je ‘kwaad’ kunt noemen omdat het afdoet aan welzijn, het ‘goede’ te herkennen: de maar al te menselijke en begrijpelijke motivatie. En vervolgens is de hogere kunst, de kunst van het doen, om deze ‘goede’ behoefte achter het ‘slechte’ gedrag een betere uitweg te gunnen.

 

Vragen, antwoorden, oplossingen vooral

Dit betekent voor mij bijvoorbeeld dat ik in mijn eigen woede iets onderscheid wat je rechtvaardigheidsgevoel kunt noemen. En dat ik vervolgens onrecht probeer recht te zetten met kalmte, voorbij de kwaadheid die me tot actie aanzette. Het betekent dat ik zie hoe hebzucht en vraatzucht onze samenleving domineren, de natuur kapotmaken en de mensen tegen elkaar uitspelen; het betekent ook dat ik het overlevingsinstinct zie dat erachter schuilt, de gerechtvaardigde behoefte aan genot ook, en dat ik op deze verlangens betere antwoorden probeer te vinden dan overconsumptie en onderwaardering van wat werkelijk belangrijk is. Het betekent bovendien dat ik afzie van mijn eigen geneigdheid om aan te vallen als ik me aangevallen voel. Of beter gezegd: dat ik – als het echt nodig is – aanval met andere en betere wapens. Niet met belediging of onnodige krenking, niet met arrogantie of afzeiken, maar met vragen en antwoorden, oplossingen vooral. Dit is wat Gandhi, Mandela en Martin Luther King ons hebben meegegeven met hun denken maar vooral met hun leven: dat het kwaad bestaat en dat je het hebt te bestrijden, maar dat je daarbij wel het kwaad in jezelf van je af dient te schudden en dat je het goede in de ander blijft trachten te vinden. Ik zal dit in mijn eigen Madurodam ook proberen te doen: in mijn colleges en in mijn talks, op mijn site en op mijn socials. Daar sta ik voor, daar mag je me aan houden.

Photo by Lina Trochez on Unsplash

Het begint met acht minuten. Het begint maandagavond 25 mei 2020, even voor half negen in Minneapolis. Het begint met de knie van politieagent Derek Chauvin op de keel van George Floyd. Het begint met een blanke dader en een zwart slachtoffer. Nee, het begint eerder. Het begint bijna vijfhonderd jaar terug, met de slavenhandel tussen Afrika en Amerika; het gaat na 1863 verder met de onderdrukking van de vrijgemaakte slaven en hun nakomelingen; en het eindigt in een land en een wereld waar discriminatie en racisme aan de orde van de dag blijven, en wel des te meer naarmate economieën in crisis raken, zoals nu. Eindigt het daar? Nee, het gaat door en begint steeds opnieuw. Hoe schreef William Faulkner het ook alweer? The past is never dead. It’s not even past.

 

De pijn die me raakt

Ik voel mee met de pijn van George Floyd en van de mensen die hem liefhebben. Niet zoals je pijn voelt bij wie je zelf liefhebt. Twee weken terug kende ik Floyd’s naam nog niet eens, en over twee weken zullen er dagen zijn dat ik niet aan hem denk. Ik voel mee omdat het lijden van andere mensen mij kan raken, en van andere dieren eveneens (al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat het lijden van mensen van wie ik een afkeer heb of die een afkeer hebben van mij, me weer net wat minder raakt). Dit is wat we ‘empathie’ noemen, en empathie met mensen begint ermee dat je hun menselijkheid herkent. Ik heb het geluk niet in een tijd en op een plaats te leven waar mensen hun empathie reserveren voor wie dezelfde huidskleur als zijzelf heeft. Het is niet iets waar ik trots op ben, het is een geluk, een meevaller, ik zou bijna zeggen… een privilege.

O ja, had ik al verteld dat ik blank ben? Sommigen – velen, vooral in zogenaamde kwaliteitsmedia – zouden mij tegenwoordig ‘wit’ noemen. Een witte, oudere man ook nog, om het erger te maken. Maar daarover straks meer. Ik wil je eerst vertellen dat ik woedend werd bij de beelden, en het “I can’t breathe” van Floyd, wetende dat dit zijn laatste woorden waren en dat de man niets anders op zijn geweten had dan het (bewust of onbewust) betalen met een vals geldbiljet. Net als bij veel anderen wordt mijn kwaadheid versterkt door het besef dat al honderden jaren zwarte ongewapende mannen worden gedood door blanke gewapende mannen. En het besef dat in de VS nog heel wat meer zwarte – gewapende of ongewapende – mannen worden vermoord door andere zwarte gewapende mannen, in persoonlijke ruzies of bendeoorlogen, maakt deze kwaadheid niet kleiner. Empathie en de woede die uit dit inlevingsvermogen voortkomt, zijn geen rekensommetjes of resultaten van een boekhoudkundige balans. Als ze oprecht zijn, gelden ze zonder aanziens des persoons en uiten ze zich in de genezende kracht van rechtvaardigheid-in-actie, voor wie en waar dan ook.

 

Flirten met geweld en rassenhaat

Dat brengt me bij Dr. Martin Luther King. Ruim een halve eeuw geleden belichaamde hij als geen ander het verzet tegen racisme in de VS. Zou King niet zelf in 1968 als ongewapende zwarte door een gewapende blanke zijn gedood, dan had hij wellicht de voorbije weken – 91 jaar oud – demonstraties tegen politiegeweld geleid. Hij had om bestraffing van de daders gevraagd. Hij had het flirten met geweld en rassenhaat door Amerika’s president veroordeeld. Hij zou de Amerikaanse samenleving hebben bekritiseerd vanwege het gebrek aan kansen dat zij gekleurde jongeren biedt. Maar hij zou misschien ook hebben gewezen op een ongemakkelijke waarheid die de boegbeelden van Black Lives Matter of Kick Out Zwarte Piet lijkt te ontgaan: dat andere mensen veroordelen vanwege hun kleur of het veronderstelde gedrag van hun voorouders kant noch wal raakt en ons uiteindelijk geen van allen vooruithelpt.

King kwam van ver. Als kind was hij getuige van politiegeweld tegen zwarten, destijds – in de jaren dertig – nog veel ‘gewoner’ dan nu. Zijn vader zei hem dat hij toch blanken moet liefhebben omdat dat zijn ‘christelijke plicht’ was. Martin Jr. antwoordde: “Hoe kan ik een ras van mensen liefhebben die mij haten?” Het antwoord vond hij pas veel later, toen zwarte activisten zij aan zij met blanke medestrijders discriminerend busvervoer boycotten, sit-ins hielden en in de cel werden gegooid, of vermoord. King weigerde daarbij om in de rassentermen te blijven denken waarmee zowel blanke racisten schermden als een Malcolm X, die ‘de witte duivel’ als vijand zag. Toen Martin Luther King in 1963 zijn beroemde ‘I Have a Dream’-speech hield, moest hij daarin eens te meer vaststellen: “We kunnen niet tevreden zijn zolang zwarten nog het slachtoffer zijn van (…) politiebrutaliteit.” Maar hij sprak ook over zijn droom dat ooit zijn kinderen niet beoordeeld zouden worden op de kleur van hun huid, maar op de inhoud van hun karakter. Helaas hebben veel mensen deze uitspraak al zo vaak gehoord dat ze van zich laten afglijden wat hier (ook) wordt gezegd: dat je mensen, zowel blanken als zwarten, beter beoordeelt op het karakter dat ze aan de dag leggen in hun daden, in plaats van hun huidskleur te beschouwen als een beschuldigende of juist verontschuldigende factor.

 

He walked that walk

Voor mij is Martin Luther King al dertig jaar een rolmodel. Niet omdat hij zwart was, niet ondanks dat hij zwart was, maar omdat hij zei wat hij zei en deed wat hij deed. He talked that talk and he walked that walk. Toen ik politiek activist was, voerde ik actie tegen racisme en probeerde ik Kings strategie van burgerlijke ongehoorzaamheid toe te passen en te populariseren in het Wassenaar van de wereld dat we ‘Nederland’ noemen. Toen ik politiek filosoof werd, liet ik me inspireren door zijn inzichten over het goed en kwaad in de mens, over blank en zwart, over oorlog, vrede en revolutie. In drie van mijn boeken kregen ze een plaats, het laatst in ‘De Wereld Omgekeerd’. Martin Luther King vocht zonder alle ‘witten’ weg te zetten als onderdrukkers, en wees tegelijkertijd onverbloemd op de onderdrukking. Hij vocht zonder ‘zwarten’ categorisch aan te duiden als slachtoffers, en deed een beroep op hun vermogen om onrecht actief te bestrijden – gepassioneerd en moedig, maar ook redelijk en beheerst; op hun vergevingsgezindheid jegens degenen die hen onderdrukten; en last but not least… op kritische reflectie tegenover zichzelf.

Over kritische reflectie gesproken: is dit geen gevalletje van ‘culturele toe-eigening’? De bevoorrechte witte die een zwarte te hulp roept om zijn eigen zwartheid te benadrukken, en anders wel zijn morele rechtschapenheid? Van mij mag je het gerust zo noemen, als dat je blij maakt. Maar dan wil ik er wel op wijzen dat King er ook wat van kon, van ‘culturele toe-eigening’. Net als heel veel andere grote denkers overigens. Hij verslond het werk van de dode witte mannen Marx, Nietzsche en Kierkegaard. Hij verwees graag naar blanke theologen als Reinhold Niebuhr of Billy Graham. Maar het meest werd hij gegrepen door twee gekleurde denker-doeners: ene Jezus Christus, en Mahatma Gandhi. Wat je King hoogstens kunt verwijten (voor zover zo’n verwijt zin heeft), is dat vrouwelijke denkers in zijn canon ontbraken. Maar dat werd dan weer goed gemaakt door de vele vrouwelijke doeners om hem heen, waarvan Rosa Parks waarschijnlijk wel de bekendste is: de vrouw die 65 jaar geleden in opstand kwam door te blijven zitten, toen zij gemaand werd haar zitplaats af te geven aan een blanke in een overvolle bus.

Wat het Woke Woordenboek van de Hedendaagse Taal ‘culturele toe-eigening’ noemt, noem ik: wederzijdse beïnvloeding en -verrijking, datgene waardoor wij als mensen door de landen en tijden heen wijzer zijn geworden, dat wat culturen vormt en vooruithelpt. Zo ontstond klassiek, soul, rock, rap en house. Daaraan danken we wereldliteratuur, theater en film. Hierdoor ontwikkelt zich de filosofie. Het wordt pas een probleem waar er geen credits worden erkend (en uitbetaald). Maar daar hebben blanken bepaald geen patent op. Of als mensen zich parmantig in het lijden van anderen gaan wentelen, alsof ze zelf vijfhonderd jaar terug aan een stalen halsketting vanuit Nigeria op een slavenschip zijn gegooid, Wat des te potsierlijker wordt wanneer hun grootste leed in het hier en nu bestaat uit de domme maar niet per se racistisch bedoelde vraag ‘Waar kom je vandaan?’ of de wetenschap dat ergens in dit land de assistent van Sinterklaas één keer per jaar zwart wordt geschminkt. Of uit de pijn die je als ‘witte’ meent te voelen wanneer willekeurig welke ‘zwarte’ roept dat hij gekwetst is. Karel van het Reve zei het ooit al: dat iemand hard schreeuwt, wil nog niet zeggen dat hij erge pijn heeft. En ook niet per se dat iemand anders hem doelgericht pijn aan het doen is, zou je eraan kunnen toevoegen.

 

Onrecht genezen en voorkomen

Dat ligt dus heel anders bij Derek Chauvin en George Floyd, op die maandagavond meer dan twee weken terug. Daar bestond echte pijn, die ook nog eens actief werd toegediend (welbewust of gedachteloos, dat zal de rechter moeten uitmaken). Deze blanke en deze zwarte Amerikaanse man zijn voor eeuwig en onontwarbaar met elkaar verbonden in een tragische kluwen waaruit geen van beiden ooit nog ontsnapt. Met dat verschil dat Floyd het niet meer kan navertellen. Mij boeit nu maar één vraag: wat gaan we doen om gedaan onrecht te genezen en om nieuw onrecht te voorkomen? Als al die woorden die we aan wokeness hebben te danken, daarbij helpen: be my guest…

Ik vraag me echter af wat mensen dwingen om anders te praten of te schrijven en uiteindelijk te denken nu eigenlijk verbetert aan een wereld van daden en feiten. Wordt George Floyd er wonderbaarlijk door tot leven gewekt? Voorkomen we hiermee een volgend staaltje politiegeweld in de VS? Komen Marokkaanse jongens in Nederland er makkelijker door aan het werk, of – voorbij corona – in de discotheek? Wordt iemand die ronduit gelooft dat sommige ‘rassen’ superieur zijn aan andere, er ook maar enigszins door overtuigd wanneer we met z’n allen ‘wit’ in plaats van ‘blank’ zeggen, en voortdurend de mond vol hebben van ‘culturele toe-eigening’, ‘wit privilege’, ‘institutioneel racisme’, en – die klassieker uit een tijd dat marxisme nog gewoon marxisme en niet cultuurmarxisme was (ik kan het enigszins weten, als voormalig marxist): het systeem? Ik vraag me wel eens af waar de woede over woorden toch precies vandaan komt: is het omdat we geen raad weten met de werkelijk grote problemen van deze tijd – pandemieën als corona, een economische crisis die groter dreigt te worden dan die van 2008 en 1929, een daarop parasiterend populisme, en ondertussen de escalerende opwarming van de aarde? Oog in oog met dat alles moet het veel makkelijker zijn om mensen de maat te nemen op grond van wat je in een oogopslag ziet: hun kleur. Voor de aanpak van de genoemde grote problemen daarentegen moet je zelf het nodige doen en laten, en heb je geen automatische morele voorsprong gezien je huidskleur of je woordkeuze.

 

Memphis als moreel kompas

Sommigen zeggen dat om onrecht en ongelijkheid aan te pakken, we eerst dienen te (h)erkennen wat voor privileges we zelf bezitten, hoeveel beter we dus af zijn in vergelijking met anderen. Dat is op zich juist. Maar laten we dan ook het verkennen van voorrechten tot in zijn uiterste consequenties doorvoeren. Ik ben dus blank (‘wit’ in jullie woorden), man en in Nederland geboren. Ik ben hoogopgeleid. Maar ik word ook bescheiden betaald, als iemand die al jaren kiest voor deeltijdwerk en die veel van zijn arbeid – zoals het schrijven van dit artikel – gratis verricht. Mijn professionele bestaan is vergeven van afwijzingen, van geweigerde artikelen, van gesneuvelde sollicitaties en nauwelijks opgemerkte boeken. Op zijn best word ik de Vincent van Gogh van de Nederlandse filosofie: tijdens zijn leven genegeerd, daarna alom gewaardeerd (wat ik op zijn slechtst zou kunnen blijken te zijn, durf ik hier niet op te schrijven). Is dat allemaal erg? Nee, hoogstens een tikje tragikomisch. Het grootste leed uit mijn leven is te persoonlijk om te vertellen. Laten we het erop houden dat ik niemand anders dit immense ongeluk toewens.

Ben ik al met al meer bevoorrecht dan Typhoon, Sylvana Simons, Ronnie Flex of Memphis Depay, om maar een paar ‘mensen van kleur’ te benoemen? Alleen maar omdat mijn huid misschien iets lichter is dan die van hen, of ‘beter’ gezegd: omdat er bij mij geen ‘zwart bloed’ door de aderen stroomt? Is dit hoe we politiek willen bedrijven: mensen afrekenen op het geluk dat ze hebben gehad? Maar dan alleen als ze ‘wit’ zijn en niet tot jouw ‘tribe’ van politiek-correcten behoren? Feit is dat we allemaal in ons leven betere en slechtere kaarten krijgen, en die van mensen in Nederland zijn in de regel een stuk beter dan daarbuiten. Jank niet om je eigen kaarten, klaag niet over die van de ander, maar zorg zo nodig dat de kaarten eerlijker verdeeld worden en – als er niets verkeerd verdeeld is, maar je botweg pech hebt gehad – begin dan met berusting, om daarna in actie te komen. Ik kan ook wel blijven klagen dat tv-presentatoren, romanschrijvers of rappers veel meer podiums krijgen dan ik om zich te buigen over buitenlandse politiek of binnenlands beleid; ik kan me druk maken over het feit dat door velen de mee-demonstrerende voetbalmiljonair Memphis als moreel kompas wordt beschouwd… beter is het dat ik mijn eigen verantwoordelijkheid neem en doe wat me te doen staat. Juist oog in oog met het werkelijke onrecht van deze wereld.

Dit is geen pleidooi voor louter individuele verantwoordelijkheid. Ik weet dat we allemaal onze pijn, leed en tegenslagen hebben, soms simpelweg door pech, soms door welbewuste tegenwerking of als onderdeel van een systeem. Is ‘het systeem’ daarmee fout of racistisch? In de VS misschien wel, in Nederland naar mijn idee niet. Dan nog hebben we samen de taak om waar en wanneer specifieke collectieven of individuen racistisch blijken, dat recht te zetten. Maar niet door ‘witten’ als groep te beschuldigen vanwege hun bevoorrechte bestaan, en ook niet door ‘zwarten’ te verontschuldigen vanwege hun vermeend gedeelde leed. Solidariteit ontstaat niet per se uit schaamte of schuldgevoel en kan hoe dan ook niet worden afgedwongen. Ze uit zich niet in een gebrek aan ruggengraat of een gebogen hoofd, niet in vroom gevouwen handjes of een opgeheven vingertje. Ze groeit uit empathie, en die behoeft weer erkenning, en herkenning. Ze bestaat dus uit mensen die elkaar letterlijk of figuurlijk de hand reiken, met open ogen bekijken en allebei luisteren. Juist het tegenover elkaar plaatsen van ‘zwarten’ en ‘witten’ blokkeert deze herkenning en bemoeilijkt de empathie. Wat je zo bereikt in plaats van solidariteit is de nadruk op je eigen superioriteit en andermans inferioriteit. Dan ben je bij mij al aan het verkeerde adres, maar helemaal bij die mensen die veel minder geluk hebben dan ik, maar wel een vergelijkbaar gebrek aan pigment; en die niet zitten te wachten op jouw bewering dat ze ‘bevoorrecht’ en racistisch zijn; en pas kunnen deugen als ze zowel het eerste als het tweede maar even toegeven.

 

Rijmelarij met rap verwarren

Mijn shiny white face ga je niet zien bij de volgende demonstratie. Ik weiger me te melden voor mijn anderhalve-meter-matje achteraan in de massa, luisterend naar de rant van alweer een boze jongeman die rijmelarij met rap verwart en al zing-zeggend Zwarte Piet de oorlog verklaart. Het is ironisch (en tragisch) dat vandaag de dag raciale vooroordelen niet alleen te vinden zijn bij mannen met witte puntmutsen, heren met een hakenkruis op hun bovenarm of ‘foute’ politieagenten; maar ook bij zwarte en blanke extremistische ‘antiracisten’, soms zelfs bij de goedwillende jongens en meisjes die ze in hun kielzog meetrekken, gedreven door volledig terechte woede over de dood van George Floyd. De ultieme ironie – en opnieuw: tragedie – is dat zij allen met hun zwartwit-denken, het steeds maar moraliseren op grond van huidskleur, het frame hebben overgenomen van de onderdrukkers van weleer, diegenen die geloofden in ‘zuiver’ of ‘onzuiver’ bloed en die iemand ‘zwart’ noemden als zij of hij ook maar enigszins gekleurd was. Of van zwarte racisten die al decennia gewend zijn om anderen ‘meer of minder zwart’ te noemen, ‘niet zwart genoeg’ (Obama kreeg dit curieuze verwijt nogal eens), een Wigger, een Bounty of een Uncle Tom.

Ik zal niet trachten te bepalen wat anderen denken of zeggen, ik schrijf jou niet je woorden voor, en ik vertel je niet waarheen je moet gaan. Maar laat me je vertellen waar ik sta, met dank aan een man die mij een kwart eeuw geleden al inspireerde: de schrijver James Baldwin, die in de zestiger jaren niet alleen fraaie boeken schreef, maar zich ook geregeld uitsprak over rassenrelaties in de VS. Daarbij bewoog hij zich nu eens meer in de richting van Malcolm X, dan weer in die van Martin Luther King. In The Fire Next Time (1963) schreef Baldwin over andere zwarte Amerikanen, in het bijzonder de burgerrechtenactivisten onder hen: “Ik ben trots op deze mensen niet vanwege hun kleur maar om hun intelligentie, hun spirituele kracht en hun schoonheid.”

 

It’s where you’re at

Dit is precies waar het om gaat, nu niet minder dan toen, en hier in Nederland net zozeer als ‘daar’ in Amerika. Laten we anderen blijven beoordelen op wat ze doen, en laten we mild blijven in dit oordeel (iets waaraan ik mezelf in de voorgaande alinea’s ook niet steeds heb kunnen houden, polemisch en sarcastisch als ik daar soms was). Laten we hen kortom als mens blijven zien, met de tekorten die ons mensen eigen zijn, maar ook met de mogelijkheden. Vier jaar geleden kwam de documentaire I Am Not Your Negro uit: een eenzijdig beeld van zwart-blank-relaties en ook van Baldwin zelf, waarbij bijvoorbeeld zijn homoseksualiteit volledig uit beeld bleef, maar ondanks dat alles vol van observaties als pareltjes. Zoals deze: “De blanken in dit land moeten zich afvragen waarom ze eigenlijk een ‘neger’ nodig hebben. Want ik ben geen neger, maar een mens.”

Misschien kunnen ook de huidige boegbeelden van veel ‘antiracistische’ acties zich eens afvragen waarom ze eigenlijk een ‘witte’ nodig hebben. Want ik ben geen witte, maar een mens. Ik ben niet wit, zoals het papier waarop ik schrijf. Ik laat me niet reduceren tot een kleur die niet eens een kleur is, of een ras waarin ik niet geloof: en nee, dat is geen makkie omdat ik ‘wit’ en ‘dus’ bevoorrecht ben. Ik maak iedere dag vooroordelen mee, niet op de laatste plaats die van de zogenaamde antiracisten. En juist je losmaken van eeuwenoude racistische zienswijzen – ook die tegenover ‘witten’ – is lastig en wordt je lang niet altijd in dank afgenomen (het is zeker niet in de mode op dit moment in mainstream Nederland, of in het gros van zijn media). Ik zal niet het blanco vel zijn waarop jij je onvrede kunt projecteren. Ik ben niet je witte. Maar ik kan wel je broeder zijn, een medemens of zelfs een medestrijder: bijvoorbeeld als we de confrontatie aangaan met de coronacrisis, met economisch onrecht, met de vernietiging van de natuur, of met volksmenners die ons tegen elkaar proberen uit te spelen op grond van kleur, afkomst of politieke voorkeur. Bepaal zelf maar voor wat en tegen wie jij vecht. Voor mij geldt: It ain’t where you’re from, it’s where you’re at.

 

Met dank aan Paul Andersson Toussaint

Foto: Fjodor Buis.

 

 

 

 

 

“De dokters zeggen dat deze ziekte in het begin gemakkelijk te genezen en moeilijk te constateren valt, maar dat ze na verloop van tijd – wanneer men haar niet meteen in de beginfase onderkend en behandeld heeft – gemakkelijk te constateren en moeilijk te genezen is.” Ruim 500 jaar geleden schreef Niccolò Machiavelli dit over een andere longziekte, de tering, tegenwoordig beter bekend als tuberculose ofwel tbc. Machiavelli gebruikte deze vergelijking om duidelijk te maken hoe we crises-in-wording vaak negeren, en hoe belangrijk het is ze aan te pakken ver voor ze ons fataal worden.

 

Op naar het terras!

Nu in de meeste landen de lockdown versoepeld wordt, menen nogal wat mensen dat de crisis over is, of dat we in elk geval het ergste gehad hebben. Op naar het terras, het museum en het pretpark, al dan niet voorzien van mondkapje. Maar wie er zo over denkt, onderschat niet alleen de impact van het virus zelf, of van smetvrees op de kwaliteit van ons leven: die kijkt ook weg van het immense economische onheil dat zich nu vooral in arme landen aftekent, een crisis die zowel 1929 als 2008 in de schaduw dreigt te stellen. In lijn met die eerdere crises ligt het politieke gevolg voor de hand: explosieve onvrede, die vakkundig geëxploiteerd gaat worden door populistische handelaars in haat en woede.

Dan is er nog de klimaatcrisis, misschien wel de meest overtuigende bevestiging van Machiavelli’s waarneming over wantoestanden die makkelijk op te lossen zijn als we ze op tijd serieus nemen, en ternauwernood wanneer we ze te lang hebben laten voortwoekeren. De opwarming van de aarde is door corona uit het nieuws verdwenen, maar daarmee nog niet opgelost. En wel des te minder wanneer straks corona- en economische crisis zoveel financiële reserves hebben opgeslokt dat het draagvlak voor resoluut klimaatbeleid uiterst smal zal worden. Al met al is er sprake van een complex van crises die elkaar versterken, en heeft het er alle schijn van dat we niet zozeer de crisis voorbij zijn, als wel ons bevinden in het oog van een orkaan waarvan de coronacrisis nog maar de eerste windvlaag was.

 

Een keten van crises

Om een dergelijke keten van crises tegemoet te treden, is het nodig af te rekenen met een ander ‘complex’: onze eigen neiging grote problemen te ontkennen en hun aanpak voor ons uit te schuiven. Machiavelli geloofde dat slechts een wijze enkeling – zijn ‘heerser’ – met deze gewoonte zou weten te breken. In deze tijd, waarin de meesten van ons oneindig veel beter geïnformeerd en -opgeleid zijn dan men rond 1500 was, kunnen ook ‘gewone’ mensen crises ontwaren voor ze er zelf door getroffen worden. Dat vereist wel dat we niet alleen die grote problemen zelf onder ogen zien, maar hetzelfde doen met onze menselijke zwakte om ervan weg te kijken. Misschien wordt dit wat makkelijker wanneer we ons realiseren dat er goede redenen zijn voor het ‘slechte’ gedrag (van het wegkijken): we stellen prijs op onze rust, willen ons veilig voelen en relativeren graag.

In veel omstandigheden is dit helemaal gerechtvaardigd, en wel zo goed voor onze gezondheid bovendien. Er dient zich echter een probleem aan wanneer daadwerkelijk gevaar dreigt. Dan kan onze behoefte aan rust ons ertoe brengen de dreiging kleiner te maken dan ze daadwerkelijk is. In ons hoofd althans, want in realiteit blijft ze aanwezig en wordt ze zelfs groter omdat we haar niet met actie tegemoet treden. We zouden ook een andere beweging kunnen maken, waarbij we de goede redenen voor het slechte (want ontwijkende) gedrag zien maar er een beter vervolg aan geven, dat wel degelijk uitmondt in desnoods radicale daden. Daarbij vinden we juist gemoedsrust door voluit in beweging te komen en hard te werken aan oplossingen. Als passiviteit de gewoonte is om uit te rusten voordat je moe wordt, dan is daadkracht de gewoonte om in actie te komen voordat het gevaar voor je neus staat.

 

Het wegkijken voorbij

We halen daarbij onze veiligheid uit de erkenning dat we kwetsbaar zijn tegenover alles wat de natuur voor ons in petto heeft, zoals dit virus, een volgend virus, en een alsmaar extremer klimaat; en dat de zin van het leven niet zozeer neerkomt op koste wat kost overleven, als wel op actief zorg dragen voor onszelf en de wereld om ons heen. Die zorg garandeert geen overleving, maar maakt de kans erop wel groter. Dit geldt voor de economische en politieke samenwerking tussen mensen evenzeer als voor bijvoorbeeld het verminderen van broeikasuitstoot. We zouden dan ook kunnen gaan zien dat ‘relativeren’ neerkomt op zaken niet dramatischer maken dan ze zijn, maar ook op het in de juiste – stevige – proporties zien van wat juist groot en eventueel bedreigend is.

Wegkijken is des te begrijpelijker als je wel degelijk beseft dat er een groot probleem is, maar je je te nietig voelt om het aan pakken. Om ons te verlossen van het ‘crisescomplex’ is het dan ook noodzakelijk om niet alleen zijn complexiteit te zien, maar ook het vermogen om deze te ontwarren én de individuele bijdrage die wij daaraan kunnen leveren. Het mag duidelijk zijn dat coronacrisis, economische krimp, politieke polarisatie en milieuvernietiging een vicieuze cirkel van problemen vormen. De andere kant van dit verband is dat wie de economische pijn van corona eerlijk verdeelt, populisten de wind uit de zeilen neemt. En dat wanneer je degenen die het minste risico lopen en het meeste aan oplossingen kunnen bijdragen – de rijksten en grootste ondernemingen – naar vermogen laat meebetalen, er middelen vrijkomen waarmee de klimaatcrisis kan worden gehanteerd zonder mensen te benadelen die al zwaar getroffen zijn. Een wel erg radicale verandering, een revolutie zelfs? Ja, maar het zou wel eens de enige manier kunnen zijn om te voorkomen dat verandering op veel funestere wijze plaatsvindt, gezien de gevaren die zich ophopen aan onze horizon.

 

Waar het gevaar is, groeit de redding

“Waar het gevaar is, groeit ook de redding,” stelde de Duitse dichter Friedrich Hölderlin ooit. Dat blijkt eens te meer tijdens de coronacrisis, en belooft ondanks alles iets goeds voor de aanpak van het crisescomplex dat zoveel groter is dan deze crisis alleen. Zo hebben slechts enkele maanden waarin McWorld het wat rustiger aan deed, geleid tot een fors afgenomen uitstoot van broeikasgassen. Terwijl de consumptiemaatschappij zich terugtrok, rukte de overheid op, niet ten gunste van zichzelf of van de rijksten ter wereld, maar voor de meest kwetsbare en geraakte burgers. Na vijftig jaar maakt de ‘maakbaarheid’ van de economie een grandioze comeback. En overal ter wereld groeide sociale saamhorigheid, met klappen voor ‘helden’ of duimpjes op Facebook, maar vooral met in daden gegoten zelfbeheersing en solidariteit. Het zou naïef zijn te denken dat dit alles vanzelf leidt tot een betere wereld post-corona: wat het wél duidelijk maakt, is dat actie oog in oog met het crisiscomplex mogelijk is.

 

Sinds eind april geef ik via Zoom college over denken & doen in tijden van corona. Om zo zin te geven aan een tijd waarin bezinning op haar plaats is. Vanuit filosofisch perspectief kijken we naar deze crisis, met behulp van tijdloze denkers als Aristoteles, Epicurus, Boeddha, Lao Tse en de stoïcijnen, maar ook vanuit onze eigen actuele ervaringen en inzichten.

Als er één misverstand over de menselijke vrijheid in het oog springt, dan is het wel dat vrijheid per definitie plezierig is. Valt ons vaak het kiezen tussen diverse aantrekkelijke alternatieven al zwaar, des te lastiger wordt het wanneer we de keuze hebben tussen twee – of meer – kwaden. Sinds corona over de wereld waart, kennen we de dilemma’s van bewegingsvrijheid-met-besmettingsgevaar, of medisch verantwoorde eenzaamheid; van levens redden door de economie te verwoesten, of welvaart in stand houden door mensen dood te laten gaan; van democratie behouden en de rechtsstaat respecteren op het gevaar af van verdampte daadkracht, of het instellen van een democratuur geleid door experts die beter uit de voeten kunnen met virussen dan met mensen.

Ik weet het: dit zijn uitersten die we zelden in onversneden vorm ervaren. En al helemaal niet in een land als het onze, waar we het gedogen tot kunst hebben verheven, een lockdown intelligent kan zijn, en leiders zelfs vanuit de hoogte nog benaderbaar lijken. Toch zou het ook ons kunnen helpen als we het tragische gehalte van onze vrijheid onder ogen leren zien, geconfronteerd met een virus dat niet te dresseren valt. Belangrijker nog, in de onvermijdelijk moeilijke tijden die nog zullen komen, is het om ons de manieren eigen te maken waarop zelfs de keuze voor een kwaad goed kan zijn.

 

Het op hol geslagen karretje

In de ethiek is een klassiek voorbeeld van de keuze tussen twee kwaden het ‘Trolley-dilemma’. Filosoof Philippa Foot presenteerde het in 1967 als een op hol geslagen karretje dat in volle vaart afstevent op een wissel tussen twee sporen. Op het ene spoor is één man aan het werk, op het andere bevinden zich vijf spoorarbeiders. De bestuurder kan niet afremmen, maar slechts sturen naar één van beide sporen. Wat hij ook doet, er zullen doden vallen. Wat is nu de goede keuze?

De meesten zullen kiezen, zo suggereert ook Foot, voor de dood van één mens, waar je anders vijf mensen zou hebben gedood. Die keuze is nog steeds niet comfortabel, maar wordt wel verzacht – en gerechtvaardigd – door het besef dat je niet van plan was die ene man te doden. Je aanvaardt het feit dat hij door je karretje verpletterd wordt als noodzakelijk gevolg van je poging om de dood van vijf anderen te vermijden. Het is een troost, maar een schrale. En bovendien een herinnering aan het gegeven dat veel van onze gedragskeuzes plaatsvinden binnen omstandigheden die we op hun beurt niet voor het kiezen hebben.

 

Een moreel labyrint

Het probleem van veel keuzes die in deze coronacrisis gemaakt worden: ze missen het overzicht dat de bestuurder van het op hol geslagen karretje nog wel heeft. Zelfs al verfijn je het verder met bijvoorbeeld Nelson Mandela op het ene spoor  en vijf veroordeelde kinderverkrachters op het andere: dan nog houdt het Trolley-dilemma, hoe pijnlijk ook, een Peppi-en-Kokki-achtige eenvoud vergeleken met het morele labyrint van een maatschappij vol corona-keuzen. Het zijn natuurlijk ook duivelse dilemma’s voor mensen als Rutte en Van Dissel, Wiebes en De Jonge, Merkel en Macron, om nog maar te zwijgen van de volksvertegenwoordigers die hen controleren moeten, met hun ontzagwekkende achterstand aan informatie en knowhow. En dat niet éénmaal, maar iedere dag opnieuw, in tientallen nieuwe varianten.

Er is een slechte en een goede manier om te kiezen tussen kwaden. Voor alle duidelijkheid: het verschil zit niet per se in de gevolgen. Wanneer je moet kiezen tussen twee kwaden, tussen bijvoorbeeld KLM van staatssteun voorzien terwijl je weet dat het bedrijf niet meer levensvatbaar is en bovendien voor ernstige milieuproblemen zorgt; of je hand op de knip houden, in de wetenschap dat je daarmee dertigduizend mensen en hun gezinnen van een inkomen berooft dat je vervolgens ook nog eens gedeeltelijk als WW-uitkering zal dienen uit te betalen, zijn er geen louter ‘goede gevolgen’. Het probleem van het kiezen voor een kwaad, ook al is dit een kleiner kwaad dan het alternatief, is dat je altijd welzijn tenietdoet. Er zullen lagere inkomens zijn, werklozen, zieken en zelfs doden.

 

Soep eten met een vork

Het verschil tussen een slechte en goede keuze, zit ‘m in de wijze waarop deze plaatsvindt. Zo meer over de ‘goede’ manier, maar eerst de beroerde. Die laten we als mensheid, of we nu burgers, ambtenaren of politici zijn, massaal zien in de voorbije decennia. Het zijn keuzes met een beroep op ons reptielenbrein, in een tijd dat we ontzaglijk veel rationeler, meer empathisch en visionair zouden kunnen én moeten zijn. Ik wou dat ik dit zelf bedacht had, maar moet hier de credits helemaal gunnen aan TNO-onderzoekers Hans Korteling en Josephine Sassen – van Meer. In een recent artikel – ‘Waarom we blind zijn voor dreigende rampen zoals de Covid-19 pandemie’ – presenteren zij, op hun beurt verwijzend naar psycholoog Daniel Kahneman, een hele reeks redenen waarom ons ‘rationeel’ denken vaak veel weg heeft van ‘soep eten met een vork’.

De korte samenvatting: we herkennen slechts die problemen als problemen die we vandaag aan den lijve voelen, of die we in een recent verleden hebben ondervonden. Als we dus ‘in oorlog’ denken te zijn, dan is dit de huidige of de vorige oorlog, maar niet de oorlog die zich aan de horizon aftekent. Vanuit evolutionair psychologisch perspectief is dit heel begrijpelijk. Waarom je stuk staren op problemen die nu nog helemaal geen problemen lijken en die dat hoogstens worden in de toekomst of ver van ons verwijderd, wanneer je  overleven aan de orde van de dag is, en dat overleven plaatsvindt in jouw eigen kleine groep op je eigen afgebakende terrein?

 

21e-eeuwse kosmopolieten

Het punt is echter, zo maken Korteling en Sassen duidelijk, dat in de huidige global village de problemen van ‘anderen, ver weg’ binnen no time een probleem kunnen worden dat op jouw voordeur bonst. En dan wreekt zich, zo stellen zij, een volgend (ir)rationeel ‘tekort’ (mijn woordkeuze): we zijn zodanig gewend en verknocht aan de status quo, dat we niet voor de radicale oplossingen kiezen die geboden zijn voor fundamentele problemen. We zagen dat bij de stikstofcrisis, bij de klimaatcrisis, en de crisis van Koning Corona is er geen uitzondering op. De TNO-onderzoekers daarentegen doen een beroep op ons bewustzijn als 21e-eeuwse kosmopolieten en besluiten: “Laten we voorkomen dat we straks voor nog veel grotere problemen komen te staan. Laat deze crisis de aanzet zijn voor een overstijgende, bredere en structurelere aanpak van de mondiale systeemrisico’s van vandaag!”

Dit is bij uitstek de ‘goede’ manier om keuzes te maken tussen kwaden. Niet het sowieso ontkennen van kwaadaardige crises of over het hoofd zien van potentieel grotere kwaden dan degene waarmee we ons al geconfronteerd weten: maar zicht op de verwevenheid van gevaren, en het vermogen om onderscheid te maken tussen wat cruciaal dan wel triviaal is in dat geheel. Van precies zo’n overstijgende, bredere aanpak en zo’n visie getuigen nota bene twee van Nederlands belangrijkste virologen, ofwel de ‘technocraten’ waarop sommigen nu hun giftige pijlen richten: de hoogleraren aan het Erasmus MC Ron Fouchier en Marion Koopmans.

 

Denken over dieren en mensen

In de Tegenlicht-aflevering ‘Virus van morgen’ (22 maart 2020) bepleiten Fouchier en Koopmans niet alleen, zoals verwacht mag worden, dat er meer geld gaat naar langetermijnonderzoek opdat er vaccins en medicijnen komen tegen het virus van nu, of een ‘virus van morgen’. Fouchier maakt ook duidelijk dat we zoönose – het overspringen van virussen van dieren naar mensen – kunnen voorkomen door minder dieren te consumeren (ik zou als veganist zeggen: géén dieren of hun producten meer te consumeren); en door onderzoek te doen naar wat er onder dieren aan virussen circuleert, deze virussen uit te roeien en dieren te vaccineren voordat ze mensen besmetten. Koopmans op haar beurt ziet in ‘big data’ mogelijkheden om nu nog onbekende infecties op te sporen en aan te pakken.

Wat beide virologen aangeven, is dat hiervoor aandacht en middelen nodig zijn in een mate die het kortetermijnhandelen overstijgt. Fouchier: “Virusinfecties zijn te voorkomen, zijn te overwinnen, zonder enige twijfel. Maar het vereist wel een enorme commitment.” Daarbij komen enorme kosten kijken, maar die kosten vallen in het niet bij de kosten die erdoor voorkomen worden, laat staan de menselijke schade die wordt aangericht wanneer een virus zich eenmaal ontwikkelt tot epidemie, en vervolgens tot pandemie . Koopmans, lid van Ruttes Outbreak Management Team, is realistisch over de haalbaarheid van een radicaal ander beleid “Kijk, dit gaat een enorme economische impact hebben, en het meest aannemelijk is dat dan zodra dit weer een beetje in banen is geleid, de aandacht naar andere dingen gaat. En dan moeten we er met z’n allen wel echt bovenop springen dat het niet terug naar de basis gaat.”

 

De coronacrisis als generale repetitie

Er met z’n allen bovenop springen, dat is precies waar het om gaat. Willen we goede keuzes maken tussen kwaden, tussen kosten voor het een of kosten voor het ander, tussen schade aan de een of aan de ander, ja zelfs tussen het leven van de een of het leven van de ander: dan is het zaak dat we democratisch vaststellen wat onze meest cruciale problemen zijn en wat onze prioriteiten. Daarbij tellen niet alleen goede intenties, maar dienen we oog te houden voor de consequenties en hebben we hopelijk de competenties in huis om er ook de juiste actie op te laten volgen. Bij Foots verpletterende ‘trolley’ mocht je hopen dat er een bestuurder op zat die geen mensenlevens wil verwoesten, die zag hoe het gevolg ofwel één dan wel vijf doden zou zijn, en die het grotere kwaad wist te vermijden door bij te sturen.

Nu de coronacrisis alleen nog maar een generale repetitie is voor de crises die zullen volgen – zoals die van het klimaat – zijn andere ethische dimensies vereist. De intentie om mensen te laten overleven en ze ook waardig te laten leven (of sterven), of deze mensen nu in het Westen leven of in de armere delen van de wereld waar de crisis nog veel harder toeslaat dan bij ons. Het oog voor de consequenties van daden die op korte termijn effectief lijken – zoals een lockdown – maar die op termijn onze economie kunnen vernielen en onze democratie en rechtsstaat kunnen aantasten. En de competenties van zowel virologen en medici als ethici, economen en psychologen, om maar enkele ‘vitale beroepen’ te noemen: het zijn hun inzichten die ons kunnen doen besluiten om voor alternatieven te kiezen als die van Fouchier en Koopmans; voor het permanent uitbreiden van de zorgcapaciteit mochten deze alternatieven niet toereikend zijn; en voor het alleen kwetsbare groepen afschermen, of per regio ‘unlocken’, om in elk geval deze crisis nu tot een goed einde te brengen.

Uiteindelijk draait het allemaal om visie. Weten wat je als elementair ziet, en ook anderen daarvan kunnen overtuigen. Onderscheiden van zowel oorzaken, problemen als oplossingen. Het herkennen van wat dichtbij én van wat veraf ligt, zowel qua tijd als qua ruimte. We kunnen deze visie uitbesteden aan onze leiders in de hoop dat zij ‘staatsman’ of ‘staatsvrouw’ blijken te zijn. Liever nog ontwikkelen we ons eigen zicht. Dat is onmisbaar om goede keuzes te maken tussen de kwaden die gaan komen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gisteren publiceerde ik op deze plek een artikel over wat ik als gevaarlijk en kwaadaardig zie in de coronacrisis. Daarbij ging ik met gestrekt been in op enkele mensen die een rol spelen in deze crisis. Mijn impact als politiek filosoof is lastig te overschatten, maar hoe bescheiden hij ook is: dit is niet de bijdrage die ik wil leveren. En al helemaal niet in een tijd dat veel mensen voor hun leven vechten en minstens zoveel andere mensen zich uit de naad werken om een dodelijke ziekte te weerstaan. Ik op mijn beurt ga nu vooral geven wat ik kan aan wie ik liefheb, en wat ik te geven heb, beoogt iets wezenlijks en positiefs.
Wat ik te geven heb, beoogt iets wezenlijks en positiefs

Je zou het bijna niet meer durven. Oplossingen voorstellen die een einde maken aan het business as usual. Een economie van het genoeg, na de hebberigheid van het steeds meer. Genoegen nemen met minder, in plaats van nieuwe schulden aan te gaan en deze door te schuiven naar onze kinderen en kleinkinderen. Multinationals en miljonairs nu laten betalen, en niet zoals bij de vorige crisis de schade – die toen door bankiers en speculanten was aangericht – op de belastingbetalers verhalen. Radicale oplossingen die neoliberale logica uitdagen, als reactie op een crisis die ons leven op zijn kop heeft gezet: dat mag blijkbaar niet.

 

Unless you are the lunch

Of denken we ons deze crisis uit te lachen, met ‘gratis geld’ van de overheid? Geld dat uiteindelijk door ons samen dient te worden opgehoest, en waarbij de machtigsten en rijksten meestal buiten schot weten te blijven.  Met als gevolg dat de zwakste schouders toch gezamenlijk weer de zwaarste lasten dragen. Op één punt had Milton Friedman, godfather van het neoliberalisme, gelijk: ‘There is no such thing as a free lunch’. Waaraan je kunt toevoegen: unless you are the lunch…

 

Een blik op de horizon

Ergens snap ik het punt wel van degenen die ons vragen nu eerst en vooral braaf binnen te blijven, anderhalve meter in acht te nemen en vooral niet te veel voorbij deze lockdown te denken. De urgente gevaren voor onze gezondheid die uitgaan van ‘het virus’ vragen de nodige aandacht. En dan oogt het al snel ongepast om je blik op de horizon te richten en te waarschuwen voor wat daar wacht. Maar wat nu als juist de zorg om wat er nu door het virus – en onze reactie daarop – wordt aangericht je overtuigt van de noodzaak om het echt anders te gaan aanpakken?

Gisteren kwam het Internationaal Monetair Fonds met een alarmerende update over de verwoesting die de coronacrisis aanricht in de wereldeconomie. Die komt met deze pandemie terecht in de zwaarste crisis sinds de jaren dertig, zo stelt het IMF. En de klap komt vooral hard aan in armere landen, waar overheden en centrale banken niet de hulp kunnen geven die ze bij ons bieden, en mensen en bedrijven zelf meestal ook niet zoveel vlees op de botten hebben. Vijf dagen eerder publiceerde Oxfam een rapport. De hulporganisatie maakt duidelijk dat vooral de twee miljard mensen die in arme landen in de informele economie werken, zwaar te lijden hebben onder lockdowns, en voor hen is er geen betaald ziekteverlof of WW-uitkering. Ook worden mensen er geraakt door het wegvallen van opdrachten uit het Westen. ‘Meer dan een miljoen Bengaalse kledingarbeiders, van wie 80 procent vrouw, zijn al onbetaald naar huis gestuurd of zijn hun baan kwijtgeraakt nadat bestellingen door westerse kledingmerken geannuleerd of opgeschort zijn.’ Michiel Servaes, algemeen directeur  van Oxfam Novib: ‘Deze crisis treft iedereen, maar raakt vooral mensen in armere landen onevenredig hard. (…) Voor honderden miljoenen mensen dreigt (…) een terugval in armoede. Zelfs als het virus hen niet treft, zal de ellende enorm zijn.’

 

Geen ver-van-ons-bed-show

Maar het is niet alleen een ‘ver-van-ons-bed-show’ waarbij we een beroep doen op je compassie of solidariteit. De lockdown – en zeker een verlenging daarvan voor onbepaalde tijd – dreigt ook onze eigen economie naar de kelder te helpen. Er is niks mis met genoegen nemen met iets minder dan we tot nog toe hadden, de meesten van ons hebben het dan nog steeds heel goed. En misschien wel beter, dankzij een hervonden herwaardering van wat werkelijk wezenlijk is. Iets heel anders is de ellende die ook ‘bij ons’ dreigt te ontstaan onder vooral laagbetaalde arbeiders, kleine zelfstandigen en de werklozen die zij zullen worden naast de werklozen die er al waren. Eén gerechtvaardigde vraag is die naar de noodzaak en redelijkheid van een lockdown voor de lange termijn en een zg. anderhalve-metereconomie: die vraag heb ik in mijn vorige blog opgeroepen.

Hier gaat het mij om een andere vraag: namelijk wie er gaat betalen voor deze crisis, zowel in de arme landen als in ons rijke westen. Het basisprincipe lijkt mij dat van de rechtvaardigheid. Aristoteles omschreef deze ooit als het juiste midden tussen onrecht plegen en onrecht lijden: ‘het eerste betekent (…) dat men te veel heeft, het tweede dat men te weinig heeft.’ Hanteren we dit principe in de huidige crisis, dan kunnen we vaststellen dat er een elite van miljonairs en multinationale ondernemingen is, die financieel gezien het minst van deze crisis te vrezen heeft, en het meest kan bijdragen aan haar oplossingen. Zowel VN, IMF als Oxfam bepleiten een omvangrijk steunpakket, waarbij vooral de armen uit de brand worden geholpen.

Oxfam presenteert een ‘Economic Rescue Plan For All’ à 2,5 biljoen dollar, te financieren met ‘emergency solidarity taxes’: “Mobilize as much revenue as possible by taxing on extraordinary profits, the wealthiest individuals, speculative financial products and activities that have a negative impact on the environment.” Een dergelijke progressieve en milieuvriendelijke belasting is op zich al een grensoverschrijdend idee in een wereld waar neoliberalisme sinds decennia de toon aangeeft. Om effectief te zijn, zal ze ook letterlijk grensoverschrijdend dienen te worden: als alleen enkele landen – de braafste jongetjes en meisjes van de klas – haar toepassen, verhuizen miljonairs en multinationals hun winsten en vermogens naar andere landen waar het belastingregime gunstiger is voor hen. Hier ligt een mooie taak voor VN, EU en WTO, voorbij de papieren of digitale steunbetuigingen en het van de autocue opgelezen medeleven.

 

Een Sane New Deal

Het heeft er alle schijn van het spook van corona en Covid-19 meer schade gaat aanrichten dan de kredietcrisis van 2008 en de grote depressie van de jaren dertig. Als dat zo is, dan is het ook tijd voor een plan-met-een-prijskaartje dat de banken-bail-out en Roosevelt’s New Deal ver in de schaduw stelt. De prijs van zo’n Sane New Deal, met zijn doel van een gezonde economie, dient vooral door degenen te worden betaald die tot nu toe de meeste rijkdommen hebben vergaard. Dat is een zaak van koel en logisch denken. Het is ook een zaak van rechtvaardigheid.

 

 

Sinds ons leven door corona op zijn kop is gezet, moet ik steeds vaker denken aan Black Mirror. Deze Britse tv-serie – zo stelt Netflix, waar ze te zien is – ‘beschrijft een zieke nabije toekomst vol technologie’. Niet dat een ziekteverwekker als corona er een rol in speelt, the closest thing to it in de serie is een computervirus. Maar wat Black Mirror op huiveringwekkende wijze laat zien, is een wereld waarin onze relatie met digitale technologie ons vervreemdt van onszelf en van elkaar, om van de natuur nog maar te zwijgen. Een wereld die dichter- en dichterbij lijkt te komen nu diezelfde technologie wordt aangeprezen als het wondermiddel van een langdurige lockdown.

 

Smetvrees als het nieuwe normaal

Wat als de anderhalve-meter-maatregelen langer dan deze eerste anderhalve maand gaan duren, en een vaccin er ook na een jaar nog niet is, of het zelfs helemaal op zich laat wachten? Ik zie kinderen met vierkante oogjes van het computer kijken, ouders die met het ene oog de schermpjes van hun kind in de gaten houden, terwijl ze met het andere oog hun eigen scherm bekijken. Ik zie de glinsterende ogen van Mark Zuckerberg, en anders toch zeker van de mensen achter Zoom, of die van Netflix, waar we nu hele weekenden series als Black Mirror kunnen kijken. Ik zie miljoenen mensen van elkaar afgezonderd en opgehokt zitten, gekluisterd aan hun schermen of voor mijn part eindeloos ganzenbord spelend, maar niet meer gewend aan fysiek contact buiten de familiekring.

Wanneer we nog wel buiten komen, zie ik schichtige bewegingen om elkaar niet te dicht te naderen, en verwijtende blikken wanneer dit onverhoopt wel gebeurt. Ik zie drones, kliklijnen en mensen die elkaar luidruchtig of juist geniepig de maat nemen. Ik zie apps die al onze gangen nagaan en in eerste instantie misschien vrijwillig worden gebruikt, maar die bij aanhoudende of stijgende sterftecijfers zullen worden verplicht. Ik zie een diepgewortelde angst voor lichamelijk contact of zelfs maar fysieke nabijheid. De smetvrees als het nieuwe normaal. Wat gaat dit uiteindelijk betekenen voor het stoeien en knuffelen van vrienden, familieleden en vriendinnen, wat zijn de consequenties voor seksuele relaties: de basis van en voorwaarde voor veel intimiteit en genot, verbinding en voortplanting? Wellicht is ergens een hedendaagse Dr. Strangelove al een app aan het bedenken die zwangerschap zonder seks mogelijk maakt inclusief de opvoeding van het kind door twee partners die te allen tijde anderhalve meter afstand van elkaar kunnen houden. Waarmee we meteen verlost zijn van de lichamelijkheid die al bijna 2500 jaar wordt verfoeid door  uiteenlopende filosofen als Plato, de heilige Augustinus of Arthur Schopenhauer.

 

Moeder natuur mept om zich heen

Maar ik zie nog veel meer. Ik zie massawerkloosheid en incredibly shrinking inkomens: met zoveel mensen die hun primair fysieke en publieke werk niet meer kunnen doen, en zo weinig mensen die nog nodig zijn in een voornamelijk virtueel opererende economie. Het is dat ik niet zo van de complotten ben: anders zou ik geloven dat dit hele corona een uitvinding is van Jeff ‘Amazon’ Bezos in gebroederlijke maar heimelijke samenwerking met Eric ‘Zoom’ Yuan, om hun eigen winstambities door te zetten met zoveel mogelijk klanten en zo min mogelijk lastige en kostbare werknemers.

Over grote gebaren gesproken. Sommigen hebben gesuggereerd dat moeder natuur op dit moment een rekening met ons aan het vereffenen is. Bijna drie jaar geleden maakte de filosoof Bruno Latour een vergelijking met Gaia, de oermoeder van de natuur uit de Griekse mythologie: “De planeet aarde als object is niet langer houdbaar, want ze is niet onverschillig, ze slaat terug.” Het lijkt mij een typisch menselijke fout om de natuur als een soort supermens neer te zetten die gedachten, gevoelens, bedoelingen en zoiets als een behoefte aan wraak zou hebben. Maar Latour en anderen hebben in die zin gelijk dat we de natuur om ons heen niet eindeloos naar onze hand kunnen zetten, zeker niet als dat gepaard gaat met zoveel verspilling en vernietiging.

Des te triester dat juist de coronacrisis op dit moment onze aandacht afleidt van een uiteindelijk veel groter probleem – ook voor ons mensen – de klimaatcrisis. Smakken vol geld worden naar corona geworpen, en dat allemaal omdat wij mensjes (zoals mijn dochter van tien ons graag aanduidt) zo nodig allemaal willen voortbestaan, en het liefst zo lang mogelijk. Daarmee geven we eens te meer blijk van een dwang tot domineren en controleren terwijl we wellicht beter zouden kunnen accepteren: dat we de (rest van de) natuur nodig hebben, dat ook virussen erbij horen en op een – pijnlijke en dodelijke, dat is waar – manier ‘opschonen’, en dat er eens een eind aan komt. Beter dus dan dwangmatig te streven naar massaal overleven en maximaal risico’s beperken, zouden we een andere droom kunnen realiseren die in mijn ogen geen nachtmerrie hoeft te zijn. Integendeel.

 

Reality Or Nothing

In de lente van 1994, terwijl een tumor vanuit zijn alvleesklier is uitgezaaid naar zijn lever, werkt de Britse regisseur Dennis Potter in een race tegen de klok aan zijn laatste tv-serie: Cold Lazarus. Net voor zijn dood rondt hij het af. Cold Lazarus speelt zich af in de 24e eeuw, maar ook deze dystopie doet denken aan de huidige tijd. Amerikaanse multinationals domineren de wereld, steeds meer menselijke contacten zijn virtueel, en commercieel entertainment verhult een achterliggende wereld met heel veel onrecht en ongelijkheid. Een klein groepje verzetsstrijders biedt weerstand, onder de naam RON (Reality Or Nothing). Ze doen dat met terroristische aanslagen, en de overheid slaat keihard terug.

Geweld lijkt niet de aangewezen weg voor welk verzet dan ook in landen die zoals Nederland nog altijd democratisch zijn. Maar wat ik altijd van RON onthouden heb, is de leus: ‘Realiteit Of Niets’. In de filosofie is net zozeer als in de poëzie of het politieke idealisme ‘realiteit’ niet alleen feitelijkheid. Het is ook de werkelijkheid die je wenst, en waarvan je denkt dat ze mogelijk is. In mijn boek ‘De wereld omgekeerd’ omschrijf ik deze gewilde werkelijkheid als het antwoord op ‘de omgekeerde wereld’: de wereld die je niet rationeel en emotioneel aanvaarden wil, en die je een draai wilt geven richting een andere realiteit. Reality or nothing. Hoe zou zo’n wereld omgekeerd eruitzien, in dit tijdperk van corona? Laten we om deze toekomst te verwerven, haar beginnen te verbeelden.

 

De nachtmerrie en de droom

Op de korte termijn lijkt een lockdown logisch. Maar om hem ‘intelligent’ en aanvaardbaar te houden, of achter ons te laten, hebben we eerst een nachtmerrie nodig, en dan een droom. De nachtmerrie die ons tot nu toe drijft, is de dood die het virus brengt. De nachtmerrie die ik hierboven heb trachten te schetsen, is de doodsheid die we in ons leven brengen als we ons blijvend laten leiden door onze angst voor deze dood. Nu is het tijd voor de droom. Ik zie een wereld waarin we het fysieke contact blijven opzoeken, ofwel omdat we de middelen hebben om het virus te weerstaan en de resulterende ziekte te genezen; ofwel omdat we accepteren dat we eraan kunnen sterven of er in elk geval ziek van kunnen worden, net zoals dit kan gebeuren met malaria, hiv of kanker. We proberen dus niet koste wat kost het sterven te vermijden en offeren daaraan de diep menselijke behoefte op aan nabijheid en aanraking, maar accepteren risico’s als deel van ons leven. Ik zie een dergelijke open up sowieso ontstaan: wanneer onze overheden haar niet – enigszins – gecontroleerd mogelijk maken, zullen vooral jongeren haar vroeg of laat ongecontroleerd en ongeremd pakken.

 

De aarde minder plat maken

Ik zie voorbij de aanvaarding van dit virus ook de alternatieven die we kunnen realiseren als we eerst tot ons door laten dringen hoe het zo om zich heen heeft kunnen grijpen. Een van de oorzaken dat deze epidemie een pandemie werd, is de wijze waarop mensen en dieren over de aarde worden gesleept. De ‘platte wereld’ waarin het probleem van de een binnen no time het probleem van een ander wordt, aan de andere kant van de aarde. Reden te meer om de aarde weer wat minder ‘plat’ te maken: tot een global village waarin we wereldwijd contact houden via bijvoorbeeld internet en satelliettelevisie, maar we veel minder de wereld overvliegen en onze voeding primair uit de eigen regio halen. Mondiaal verbonden, lokaal geaard. Het is ook de economie van het genoeg, die de grenzen van het klimaat en overige natuurwetten respecteert. In die zin zouden we de coronacrisis kunnen opvatten als een tragische maar ook welkome generale repetitie voor een nog veel dreigender probleem: de oververhitting van de aarde. Het goede nieuws uit de voorbije maanden: blijkbaar zijn drastische maatregelen wel degelijk mogelijk, en kunnen politici er met enige overtuigingskracht zeker democratisch draagvlak voor vinden. Waarmee ook de democratie zelf een impuls zou krijgen: van kijksport die door leiders wordt bedreven en door burgers wordt ‘gerecenseerd’ (of genegeerd), naar contactsport waarbij we zélf onze verantwoordelijkheid pakken en mee gaan werken.

 

Beter worden

Ja, we kunnen beter worden. Ook als we soms besmet raken en het niet overleven. Na zo lang van zoveel rijkdom en vrijheid te hebben kunnen genieten, van alles te hebben en er vaak mee om te gaan alsof het niets is; moeten we het nu met wat ‘minder’ doen en kunnen we daar meer moois en waardevols bij ervaren. In die zin zijn onze huidige schonere luchten in tijden van weinig vliegverkeer en de dieren die weer verschijnen waar mensen binnen blijven, hopelijk een aankondiging van het vele dat evenzeer en verder nog mogelijk is. Daar zou je dan ‘het virus’ en ‘de natuur’ weer bijna dankbaar voor zijn. Maar uiteindelijk moeten we het zelf doen, met dat kleine beetje dat we in onze macht hebben, oog in oog met zoveel dat onze vermogens overstijgt.